
Jurisprudentie
BI0250
Datum uitspraak2009-04-07
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers07/13236
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers07/13236
Statusgepubliceerd
Indicatie
HR: art. 81 RO.
Conclusie anoniem
Nr. 07/13236
Mr Jörg
Zitting 17 maart 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Leeuwarden wegens verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens het slachtoffer is door mr. D.J. van der Bij een schriftelijk bescheid toegezonden. Het stuk is in het dossier gevoegd. Het bevat geen cassatiemiddel(en).
3. Het eerste middel klaagt over de bewijsvoering. De in de nadere bewijsoverweging opgenomen omstandigheid dat verzoeker wist dat het slachtoffer de anale penetratie niet wilde kan volgens de steller van het middel niet volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen.
4. Het middel is tevergeefs voorgesteld. Bewijsmiddel 6 houdt (onder meer) in als verklaring van verzoeker:
"Ik heb tijdens mijn huwelijk anale gemeenschap met [slachtoffer] gehad. Ik wilde dat graag en zij niet."
5. In de toelichting wordt over de papieren muur gekeken, naar pagina 292 van het dossier, waar verzoeker tegenover de politie een verklaring aflegde. Op de vraag waarom hij zich nog heel goed kon herinneren dat hij het slachtoffer driemaal anaal heeft gepenetreerd, antwoordde verzoeker:
"Omdat ik dat graag wilde en zij niet, want dat vond ze niet zo prettig. Ik vond het wel prettig (...)"
6. Van denaturering van verzoekers verklaring is mijns inziens geen sprake, ook niet in het licht van de latere, in de toelichting geciteerde, niet voor het bewijs gebruikte passage, inhoudende dat de anale penetratie niet tegen de wil van het slachtoffer plaats vond.
7. Los hiervan is het slachtoffer in haar tot bewijs gebezigde verklaringen over de onvrijwilligheid van deze behandeling duidelijk:
"[Verdachte] heeft mij ongeveer 6 jaar geleden anaal gepenetreerd. Ik heb hem gezegd dat ik dat niet wilde, maar hij ging gewoon door" (bewijsmiddel 2)
en
"Over de anale penetratie van zo'n 6 jaren geleden kan ik nog het volgende zeggen. Ik heb toen duidelijk gezegd: "Ik wil dat je ermee ophoudt." [Verdachte] zette de penetratie gewoon door en ik kon, doordat hij mij vasthield, niet wegkomen ()" (bewijsmiddel 3).
8. Het afzwakken door verzoeker van zijn eigen verklaring door eerst van onwil bij het slachtoffer te spreken en daarna van onprettige gevoelens bij haar doet geen afbreuk aan de begrijpelijkheid van de vaststelling door het hof dat sprake was van onvrijwilligheid.
9. Het tweede middel komt op tegen de strafmotivering omdat het hof daarin mee laat wegen de feiten waarvoor verzoeker is vrijgesproken.
10. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting bij de strafoplegging rekening houdt met feiten en omstandigheden die kunnen gelden als omstandigheden waaronder het feit is begaan, vgl. HR 27 november 2001, LJN: AD4286. Dit geldt evenzeer voor omstandigheden die geen strafbare feiten opleveren zoals in het onderhavige geval door het hof is vastgesteld, mits die omstandigheden ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen. Het hof heeft bij de op te leggen straf mee laten wegen de aard van de relatie tussen verzoeker en zijn toenmalige echtgenote, de aard van hun seksuele relatie en de (dominante) rol van verzoeker daarin, waar verzoeker - in de vaststelling van het hof - de grenzen van respect voor zijn echtgenote uit het oog was verloren en zeer langdurig heeft overschreden. Die omstandigheden welke uitvoerig ter zitting aan de orde zijn gekomen, mogen gelden als omstandigheden waaronder het feit is begaan. De strafmotivering is niet onbegrijpelijk.
11. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Uitspraak
7 april 2009
Strafkamer
07/13236
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 6 april 2007, nummer 24/000985-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Voorts is bij de Hoge Raad ingekomen een schrijven van mr. D.J. van der Bij.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 7 april 2009.