
Jurisprudentie
BI0243
Datum uitspraak2009-03-03
Datum gepubliceerd2009-06-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.007.068.01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.007.068.01
Statusgepubliceerd
Indicatie
Waardering aandelen in een besloten vennootschap. In dit geval aangesloten bij de vaststelling van de waarde door de fiscus. Gelet op de uitgangspunten die de fiscus in dit geval gehanteerd heeft konden appellanten in hun betwisting van deze waardering niet volstaan met algemeen geformuleerde stellingen en dienden zij hun betwisting nader te onderbouwen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector familie
Zaaknummer : 105.007.068/01
Rolnummer : 2007/1203
Rolnummer rechtbank : HAZA 06-286
arrest van de familiekamer d.d. 3 maart 2009
inzake
[appellante 1],
wonende te Hoedekenskerke, gemeente Borsele,
2. [appellant 2],
wonende te Hoedekenskerke, gemeente Borsele,
appellanten, geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel beroep,
hierna te noemen: de kinderen,
procureur mr L.M. Bruins,
advocaat mr C.A.F. Haans,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te Kloetinge, gemeente Goes,
geïntimeerde, appellante in het voorwaardelijk incidenteel beroep,
hierna te noemen: [de vrouw],
procureur mr E.M. Kostense,
advocaat mr W.J.M. van Tongeren.
Het geding
Bij exploot van 25 september 2007 zijn de kinderen in hoger beroep gekomen van het vonnis van 22 augustus 2007 van de rechtbank Middelburg tussen partijen gewezen.
Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.
In de memorie van grieven hebben de kinderen drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd.
Vervolgens heeft [de vrouw] bij memorie van antwoord (tevens voorwaardelijk incidenteel appel) de grieven bestreden en een grief tegen het vonnis aangevoerd.
De kinderen hebben deze grief bestreden bij memorie van antwoord in incidenteel appel.
Tot slot hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld onder 2 van het vonnis is niet opgekomen, zodat het hof van die feiten uitgaat. In hoger beroep staat voorts vast dat het vonnis intussen door partijen is uitgevoerd. Uit het principale en het incidentele appel vloeit voort dat partijen enkel nog twisten over de waarde van de aandelen [van de B.V.].
2. In hoger beroep is derhalve aan de orde de waarde van de aandelen [van de B.V.]. per 15 maart 2002, zijnde de datum van overlijden van [de vader], hierna de erflater.
3. De kinderen vorderen – kort gezegd – het bestreden vonnis te vernietigen voor zover het betreft de waarde van de aandelen [van de B.V.]. en ter zake een onafhankelijke deskundige, bij voorkeur een ter zake kundige register accountant, te benoemen, met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van beide instanties.
4. [de vrouw] heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijkverklaring van de kinderen in hun beroep, althans afwijzing van hun beroep en bekrachtiging van het bestreden vonnis, eventueel met verbetering van gronden en, voorwaardelijk, vernietiging van genoemd vonnis, als in geval van een waardering van de aandelen [van de B.V.]. de waarde lager zou uitvallen dan een waarde van € 547.144,00, met bepaling dat in dat geval die lagere waarde geldt, kosten rechtens, zowel in het principaal als in het incidenteel appel.
5. De beslissing van de rechtbank komt – voor zover van belang – neer op het volgende.
Volgens de rechtbank wenste [de vrouw] aanvankelijk de waarde van de aandelen te waarderen volgende de successieaangifte, opgesteld door DRV Accountants en Belasting-adviseurs te Oud-Beijerland (hierna te noemen: DRV). Volgens DRV vertegenwoordigen de aandelen een waarde van € 459.228,-, daarbij uitgaande van de intrinsieke waarde van de aandelen, zonder rekening te houden met de rentabiliteit, in verband met het wegvallen van de erflater als motor van het bedrijf. De belastingdienst gaat blijkens de brief van 27 april 2004 niet alleen uit van de intrinsieke waarde, maar ook van de rentabiliteitsfactor en komt op een waarde van € 547.144,00. Met het overlijden van de erflater is volgens de belasting-dienst ook in deze berekening voldoende rekening gehouden, nu er wordt uitgegaan van een gemiddelde netto winst in de jaren 1998-2003, waarbij de kentering dus reeds is opgetreden. Bovendien wordt bij de weging de intrinsieke waarde zwaarder gewogen dan de rentabiliteitswaarde. [de vrouw] heeft zich bereid verklaard van deze hogere waarde uit te gaan, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank hebben de kinderen tegenover voornoemde berekeningen volstaan met de mededeling dat zij het niet met de waardering eens zijn en dat de waardebepaling dient plaatst te vinden naar het moment van overlijden van erflater. Zij geven niet aan op welke onderdelen zij het niet eens zijn met de berekeningen van DRV en de belastingdienst, die ook uitgaan van de datum van overlijden, welke waardering volgens hen de juiste waardering zou zijn of welke uitgangspunten voor de waardering gehanteerd zouden moeten worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de kinderen onvoldoende hebben gesteld dan wel dat zij hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd. Hun verweer tegen de waardering wordt door de rechtbank op die grond gepasseerd, zodat de rechtbank niet toe komt aan de vraag of een deskundige dient te worden benoemd. Tegen deze beslissing en de gegeven motivering richt zich het principaal beroep.
6. Volgens grief 1 heeft de rechtbank ten onrechte de waarde van de aandelen [van de B.V.]. vastgesteld op een waarde van € 547.144,00. [de vrouw] wenst de waarde van de aandelen te waarderen volgens de successie-aangifte, opgesteld door DRV. De aandelen vertegenwoordigen volgens DRV een waarde van € 547.144,00 aldus de kinderen. De rechtbank heeft dit standpunt overgenomen. De kinderen menen ten onrechte. Zij zijn van mening dat de aandelen gewaardeerd moeten worden naar de economische waarde die de aandelen vertegenwoordigen op het moment van openvallen van de nalatenschap, derhalve de datum van overlijden van de erflater. De kinderen stellen zich op het standpunt dat het een feit van algemene bekendheid is, dat een successieaangifte niet de reële economische waarde vertegenwoordigt. Bovendien wijzen de kinderen erop dat DRV niet als onafhankelijk accountant en derhalve niet als onafhankelijk deskundige kan worden aangemerkt. DRV is namelijk de accountant van (onder meer) [van de B.V.]. en Antonise-Guiljam en werkt als zodanig voor [de vrouw], aldus de grief.
7. Het hof overweegt als volgt. De kinderen zien er in hun grief vooreerst aan voorbij dat de waarde van € 547.144,00 niet door DRV, maar door de fiscus is vastgesteld en dat de fiscus daarbij blijkens de brief van de fiscus van 27 april 2004 aan DRV (productie 1 bij de brief van 31 januari 2007 van de advocaat van [de vrouw] aan de rechtbank) is uitgegaan van de waarde van de aandelen [van de B.V.]. per overlijdensdatum, derhalve per 15 maart 2002. De fiscus stelt in laatstgenoemde brief de waarde van de aandelen [van de B.V.]. per overlijdensdatum op € 581.743,00. In de brief van DRV van 31 januari 2007 aan de advocaat van [de vrouw] geeft DRV aan dat, omdat er diverse rekenfouten in de berekening van de fiscus zaten de waarde, na telefonisch overleg, is vastgesteld op € 547.144,00. Dit vindt bevestiging in de brief van de fiscus van 17 juni 2004 aan DRV.
De kinderen zien er voorts aan voorbij dat ingevolge artikel 21 van de Successiewet de fiscus bij de vaststelling van de waarde per overlijdensdatum uit dient te gaan - en naar het hof aanneemt is uitgegaan - van de waarde van de aandelen [van de B.V.]. welke daaraan op het tijdstip van verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend, waarbij in onderhavig geval ook de artikelen 35 b en c van de Successiewet een rol (zouden kunnen) spelen nu, naar het hof begrijpt, [de vrouw] de onderneming heeft voortgezet.
8. Tegen die achtergrond, en in het bijzonder de in genoemde brief van 27 april 2004 verwoorde uitgangspunten van de fiscus, bijvoorbeeld dat niet alleen wordt uitgegaan van de intrinsieke waarde, maar ook van de rentabiliteitsfactor en van een bepaalde weging van deze factoren en dat ook met het overlijden van de erflater en in mindere mate met de economische teruggang rekening is gehouden, nu er wordt uitgegaan van een gemiddelde netto winst in de jaren 1998-2003, waarbij de kentering dus reeds is opgetreden, benevens de in die brief voorkomende berekeningen, waaronder die van de waarde van de aandelen [van de andere B.V.]., konden de kinderen naar het oordeel van het hof in hoger beroep niet volstaan met de in de grief vervatte algemene stellingen, zoals de stelling dat de waarde zoals voorkomend in de successieaangifte is bepaald door DRV en dat het een feit van algemene bekendheid is dat een successieaangifte niet de reële economische waarde vertegenwoordigt. De kinderen dienden hun betwisting van de door de fiscus vastgestelde waarde van € 547.144,00 nader te adstrueren. Het hof gaat er daarbij van uit dat de kinderen al in een vroeg stadium, maar zeker ten tijde van het opstellen van de memorie van grieven, beschikten over alle in dat kader relevante cijfers en jaarstukken van [van de B.V.].
9. Weliswaar hebben de kinderen in hun memorie van antwoord in het incidenteel appel betwist dat zij steeds alle cijfers en jaarstukken etc. ontvangen hebben, maar het hof gaat daaraan voorbij. De kinderen hebben immers niet betwist dat, zoals in de inleidende dagvaarding wordt gesteld, (alle) door hen gevraagde informatie ter beschikking is gesteld aan de [de broer] van erflater, die de belangen van de kinderen althans in ieder geval van [appellant 2] behartigt, hetgeen ook daaruit blijkt dat [de broer van erflater] ter comparitie van partijen in eerste aanleg op 12 februari 2007 is opgetreden als gevolmachtigde van [appellant 2]. Uit de brief van de notaris van [de vrouw] van 9 februari 2006 aan [de broer van erflater] voornoemd (productie 4 bij de inleidende dagvaarding) blijkt dat bij die brief aan laatstgenoemde als belangenbehartiger de door hem gevraagde stukken van de nalatenschap van erflater zijn toegezonden. Het betreft, aldus de brief, “de jaarstukken van [van de B.V.]. van 1999 (opgenomen in het rapport van 2000), 2000, 2001, 2002 en 2003 alsmede de waardering van de deelneming in [van de B.V.].”. Voorts stellen de kinderen in de memorie van antwoord in het incidenteel appel zelf dat zij in juni 2007 enig inzicht hebben gekregen in de stukken.
10. Aan dit oordeel van het hof doet hetgeen overigens in de toelichting op de grief wordt opgemerkt niet af. Naar het hof daaruit begrijpt is de fiscus in de brief van 27 april 2004 teruggekomen op een eerder standpunt ter zake van de waarde van de 50% deelneming van [van de B.V.]. in [van de andere B.V.]. als vervat in de (hof: niet overgelegde) brief van 18 februari 2004 van de fiscus, welke wijziging onder andere gelegen is in een andere weging van de intrinsieke waarde en de rentabiliteitswaarde, maar dat staat de fiscus vrij en doet aan eerdergenoemde adstructieverplichting van de kinderen verder niet af.
11. Nu het verweer van de kinderen tegen de waardering van de aandelen door de fiscus onvoldoende onderbouwd is, ziet het hof ook geen aanleiding een deskundige te benoemen. Het hof ziet daartoe ook overigens geen aanleiding. Het beroep dat de kinderen doen op artikel IV van het testament van erflater maakt dat niet anders. Ook in dat verband had het immers op de weg van de kinderen gelegen hun bezwaren tegen de waardering nader te adstrueren hetgeen, als aangegeven, niet is geschied. Daarmee falen ook de grieven 2 en 3.
12. Het incidenteel beroep behoeft geen behandeling, nu het is ingesteld onder de voorwaarde dat toch gewaardeerd zou moeten worden en de uitkomst van de waardering lager zou uitvallen dan een waarde van € 547.144,00. Deze voorwaarde is niet vervuld.
13. De conclusie is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen. Het hof zal de proceskosten als na te melden compenseren.
Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het besteden vonnis;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. van Nievelt, Dusamos en Kamminga en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2009 in aanwezigheid van de griffier.