Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0241

Datum uitspraak2009-03-03
Datum gepubliceerd2009-06-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.006.772.01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schending van fundamentele beginselen van procesrecht. Het staat de rechter in en civiele procedure niet vrij zich actief te mengen in de procedure van partijen in die zin dat de rechter aan een procespartij het advies geeft een vordering in reconventie in te stellen.


Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector familie Zaaknummer : 105.006.772/01 Rolnummer : 2007/907 Rolnummer rechtbank : 886/2006 arrest van de familiekamer d.d. 3 maart 2009 inzake [appellant], wonende te Goes, appellant, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. L.Ph.J. baron van Utenhove, tegen [geïntimeerde], wonende te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: de dochter, advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli. Verloop van het geding Bij exploot van 27 juli 2007 is de vader in hoger beroep gekomen van het vonnis van 5 juli 2007, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen. Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld. Bij memorie van grieven (met producties) heeft de vader zes grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft de dochter de grieven bestreden. Op 16 mei 2008 is de zaak bepleit, namens de vader door mr. V.J.C. Pieters, advocaat te Goes, aan de hand van een pleitnota, en namens de dochter door mr. G. Veen, advocaat te Goes. De partijen hebben hun procesdossiers aan het hof overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep Algemeen 1. Voorzover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten. 2. In de memorie van grieven wordt geconcludeerd: De vader meent de zaak in volle omvang aan het Gerechtshof te hebben voorgelegd en verzoekt de vonnissen van 8 november 2006 en 5 juli 2007 van de rechtbank Rotterdam, gewezen onder zaaknummer 271.257 en rolnummer 886-2006 te vernietigen en opnieuw recht doende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair de dochter alsnog niet ontvankelijk te verklaren althans haar de vordering te ontzeggen, subsidiair de alimentatie/bijdrage jongmeerderjarige vast te stellen waarbij zowel de draagkracht van de vader bij betrokken zal worden, als de draagkracht van de moeder van de dochter, dan wel op een door uw hof in goede justitie te bepalen bedrag, en daarbij te bepalen dat de alimentatie zal zijn beëindigd op het moment dat de dochter de 21 jarige leeftijd heeft bereikt, een en ander met veroordeling van de dochter in de kosten ten aanzien van deze procedure, alsmede de procedure in eerste aanleg, te verhogen met de wettelijke rente indien deze proceskosten niet zullen zijn voldaan binnen een termijn van 14 dagen na dagtekening van het in dezes te wijzen arrest. Datum tussenvonnis 3. Partijen zijn het er over eens dat het tussenvonnis dateert van 8 november 2006 en niet, zoals de voorzieningenrechter in zijn eindvonnis heeft opgenomen, 8 november 2007. In de dagvaarding wordt geen hoger beroep ingesteld tegen de beslissing in het tussenvonnis, luidend: Verbiedt de dochter de beschikking van de rechtbank te Middelburg d.d. 16 februari 2005 te (laten) executeren, voor zover het de door de Informatie Beheer Groep vast te stellen maandelijkse ouderbijdrage te boven gaat. Schending van fundamentele beginselen van procesrecht 4. Het hof leest in de grieven van de vader dat hij van mening is dat de voorzieningenrechter elementaire regels van procesrecht heeft geschonden. De vader voert daartoe onder meer aan: 1. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter het verweer van de dochter opgevat als een vordering in reconventie. 2. De dochter had voor het vorderen van een onderhoudsbijdrage een wijzigingsprocedure bij de rechtbank dienen in te stellen. 3. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter kennis genomen van de brief van de moeder van 1 juni 2007. 4. Het vonnis van de voorzieningenrechter is onvoldoende gemotiveerd. 5. Door de dochter is onder meer het navolgende naar voren gebracht: 1. Met de vader is de dochter van mening dat de beslissing van de voorzieningenrechter van 5 juli 2007 summier gemotiveerd is, doch deze motivering is niet zodanig summier dat zij daardoor onbegrijpelijk is. 2. Bij de behandeling ter zitting op 1 november 2006 heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam nadrukkelijk aan partijen voorgelegd dat de zaak weliswaar als executiegeschil is aangebracht, doch dat het wenselijk is om de behoefte van geïntimeerde en de draagkracht van appellant nog eens te beoordelen, reden waarom op voorstel van de rechter, door de dochter ter zitting een vordering in reconventie is ingediend, inhoudende vaststelling van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie op het door de Informatie Beheer Groep jaarlijks vastgestelde maximale maandbedrag voor een aanvullende prestatiebeurs voor een ziekenfonds-/publiekrechtelijk verzekerde uitwonende student. 6. Het hof overweegt als volgt. De vader voert terecht aan dat de dochter voor het vorderen van een onderhoudsbijdrage een wijzigingsprocedure bij de rechtbank had moeten instellen. Een kortgedingprocedure over executie van een vonnis leent zich niet voor een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het te executeren vonnis. Bovendien onderzoekt en beslist de rechter op grond van artikel 24 Rv de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit. De dochter stelt letterlijk: ”reden waarom op voorstel van de rechter door geïntimeerde ter zitting een vordering in reconventie is ingediend”. Naar het oordeel van het hof staat het de rechter in een civiele procedure niet vrij om zich actief te mengen in de procedure van partijen en wel in die zin dat de rechter aan een procespartij het advies geeft om een reconventionele vordering in te stellen. 7. Een goede procesorde brengt met zich mede dat als daarvoor in de kort gedingprocedure plaats was, de dochter conform het procesreglement kort gedingen, alsmede de bepalingen van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, zelf haar eis in reconventie had dienen in te dienen. Door de dochter is niet een eis in reconventie op schrift gesteld, slechts mondeling heeft zij op verzoek van de voorzieningenrechter haar eis geformuleerd. Incidenteel appel? 8. In punt 13 van de memorie van antwoord in samenhang met het petitum van de dochter kan mogelijk een incidenteel appel worden gelezen. In punt 13 stelt de dochter: “Geïntimeerde kan zich er subsidiair in vinden wanneer het geschil beperkt wordt tot de vraag die aanvankelijk ook aan de voorzieningenrechter te Rotterdam is voorgelegd, de vraag of geïntimeerde voort mag gaan met executie van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie op het door de Informatie Beheer Groep jaarlijks vastgestelde maximale maandbedrag voor een aanvullende prestatiebeurs voor een ziekenfonds-/publiekrechtelijk verzekerde uitwonende student.” 9. De vader heeft hetgeen onder punt 13 van de memorie van antwoord is gesteld niet opgevat als een incidenteel appel. 10. Het hof overweegt als volgt. Een goede procesorde brengt met zich mede dat een partij zijn processtukken zodanig inricht dat voor de wederpartij en de rechter duidelijk is waartegen zijn grieven zich richten. In punt 13 van de memorie van antwoord geeft de dochter niet aan waar zij het niet mee eens is terzake het bestreden vonnis. De dochter heeft niet aan haar stelplicht voldaan, derhalve kan in punt 13 ook in samenhang bezien met het petitim niet als een incidenteel appel worden behandeld. Overige grieven 11. Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen behoeven de overige grieven geen bespreking aangezien deze niet afdoen aan het onderhavige oordeel. Vernietiging vonnis 12. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd voorzover daarin is bepaald dat de vader met ingang van 1 november 2006 aan de dochter een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie zal voldoen van € 225,88 per maand, zulks voor de duur van haar studie. Proceskosten 13. Gezien het feit dat er sprake is van een verhouding vader dochter acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten te compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt. Beslissing in hoger beroep Het Hof: vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam, tussen partijen op 5 juli 2007 gewezen: voor zover daar is bepaald dat de vader met ingang van 1 november 2006 aan de dochter een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie zal voldoen van € 225,88 per maand, zulks voor de duur van haar studie en opnieuw rechtdoende; wijst af het in reconventie gevorderde en hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen. Dit arrest is gewezen door mrs. van Nievelt, Labohm en van Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2009 in aanwezigheid van de griffier.