Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0240

Datum uitspraak2009-02-24
Datum gepubliceerd2009-06-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.007.653.01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verrekening van pensioenrechten bij echtscheiding ingeschreven op 15 januari 1982. In beginsel dient te worden uitgegaan van de criteria zoals geformuleerd in het arrest van 27 november 1981, NJ 1982/503 ( Boon/van Loon). Door geintimeerde zijn geenrechtens relevante feiten gesteld op grond waarvan een afwijking van voormeld arrest gerechtvaardigd zou zijn.


Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector familie Zaaknummer : 105.007.653/01 Rolnummer (oud) : 08/243 Rolnummer rechtbank : 54795/HA ZA 06-511 arrest van de familiekamer d.d. 24 februari 2009 inzake [appellant], wonende te Goes, appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. R.W. de Vos van Steenwijk tegen [geïntimeerde], wonende te `s-Gravenpolder, gemeente Borsele, geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. J.P. van Ginkel Het geding Bij exploot van 15 januari 2008 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 oktober 2007, van de rechtbank Middelburg tussen de partijen gewezen. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld. Bij memorie van grieven heeft de man één grief aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grief bestreden. De partijen hebben hun procesdossiers aan het hof overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep Algemeen 1.De man vordert dat het het hof behage het vonnis van de rechtbank, waarvan beroep, te vernietigen en te bepalen dat bij de vaststelling van pensioenaanspraken over en weer de waarde van het ouderdomspensioen en van het nabestaandenpensioen bij elkaar dienen te worden geteld waarbij degene die het pensioen heeft opgebouwd recht heeft op de helft daarvan en de wederpartij recht heeft op de (contante waarde van) de helft minus het opgebouwde nabestaandenpensioen. 2. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten. Berekening pensioen verrekening 3. De man is van mening dat de rechtbank op onjuiste wijze het Zwitserleven-pensioen van de man en het PGGM-pensioen van de vrouw tussen partijen heeft verrekend. 4. De man is van mening dat de contante waarden van de ouderdomspensioenen en van de nabestaandenpensioenen bij elkaar moeten worden opgeteld, waarbij degene die het pensioen heeft opgebouwd recht heeft op de helft daarvan en de wederpartij recht heeft op de (contante waarde van de) helft minus het opgebouwde nabestaandenpensioen. Ter onderbouwing van zijn stelling terzake de wijze waarop de pensioenrechten tussen partijen moeten worden verrekend verwijst de man naar een brief van ZwitserLeven van 19 november 2007. 5. De vrouw stelt dat de rechter in het licht van artikel 3:185 BW de vrijheid heeft de wijze van verrekening van de pensioenrechten te bepalen. Bij de verrekening van de pensioenrechten dient volgens de vrouw rekening te worden gehouden met de redelijkheid en billijkheid. Het verrekenen van de waarde van het latente recht op nabestaandenpensioen met het recht op ouderdomspensioen heeft een onredelijke of onbillijke uitwerking. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht het nabestaandenpensioen gereserveerd houdt voor de echtgenoot ten wiens behoeve het was opgebouwd zonder nadere verrekening van de contante waarde daarvan in het kader van het verrekenen van het ouderdomspensioen. 6. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat het echtscheidingsvonnis op 15 januari 1982 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voor de verrekening van de pensioenrechten dient in beginsel te worden uitgegaan van de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het arrest van 27 november 1981, NJ 1982, 503 (Boon/Van Loon). 7. Uit de inleidende dagvaarding van de vrouw volgt dat de vrouw in het kader van de verrekening van de pensioenrechten eveneens is uitgegaan van de criteria die volgen uit voormeld arrest van de Hoge Raad ( zie punt 5 van de inleidende dagvaarding). 8. Naar het oordeel van het hof zijn er door de vrouw geen rechtens relevante feiten gesteld op grond waarvan thans afgeweken dient te worden van de wijze van verrekenen zoals door de man wordt voorgestaan en waarvan zij zelf in eerste aanleg eveneens is uitgegaan. Het hof ziet in het onderhavige geval geen grond om in het kader van de verrekening van de pensioenrechten aansluiting te zoeken bij de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet Vp). Totdat de Wet Vp in werking trad behoorden de pensioenrechten tot de huwelijksgoederengemeenschap, na de invoering van de Wet Vp volgt uit de wet dat de pensioenrechten niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren. 9. Het ZwitserLeven-pensioen van de man en het PGGM-pensioen van de vrouw dienen verrekend te worden zoals door de man in appel is gevorderd, welke vordering gelijk is aan hetgeen de vrouw zelf in eerste aanleg heeft gevorderd. 10. Gezien het beperkte financiële belang geeft het hof partijen in overweging, uit te gaan van de gegevens die de betreffende pensioenfondsen aan partijen verstrekken en daarover niet langer te strijden. De kosten van een deskundigenbericht zijn naar alle waarschijnlijkheid hoger dan het financiële belang van het tussen partijen bestaande geschil. 11. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd voor zover daarbij de man uit hoofde van het pensioen bij ZwitserLeven aan de vrouw dient te betalen de contante waarde van € 6.737,50, herrekend naar een uitkering per maand, waarop de door de vrouw aan de man te betalen pensioenbedragen in mindering strekken, met ingang van 1 november 2005. 12. Gezien het feit dat sprake is van (ex)echtgenoten acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten in hoger beroep tussen partijen te compenseren. Beslissing vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij de man is veroordeeld om uit hoofde van het pensioen bij ZwitserLeven aan de vrouw te betalen de contante waarde van € 6.737,50, herrekend naar een uitkering per maand, waarop de door de vrouw aan de man te betalen pensioenbedragen in mindering strekken, met ingang van 1 november 2005 en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt dat bij de vaststelling van de pensioenaanspraken (PGGM en ZwitserLeven) over en weer de waarde van het ouderdomspensioen en van het nabestaandenpensioen bij elkaar dienen te worden geteld, waarbij degene die het pensioen heeft opgebouwd recht heeft op de helft daarvan en de wederpartij recht heeft op de (contante waarde van) de helft minus het opgebouwde nabestaandenpensioen; wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is; bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen. Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Husson en van Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2009 in aanwezigheid van de griffier.