
Jurisprudentie
BI0229
Datum uitspraak2009-03-27
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummers179791 / FA RK 08-4534
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummers179791 / FA RK 08-4534
Statusgepubliceerd
Indicatie
Echtscheiding uitgesproken naar Marokkaans recht. Rechtbank doet twee verzoeningspogingen.
Uitspraak
RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Zaaknummer : 179791 / FA RK 08-4534
Uitspraak : 27 maart 2009
Beschikking betreffende echtscheiding in de zaak van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. P.J.J.A. Hendriks,
tegen:
[verweerster]
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. I. Gerrand,
partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.
De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift van de man, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2008;
het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek van de vrouw;
het verweerschrift van de man op het zelfstandig verzoek van de vrouw;
de correspondentie, waaronder met name:
- de brief met bijlage van mr. Hendriks, gedateerd 18 september 2008;
- de brief met bijlagen van mr. Hendriks, gedateerd 6 januari 2009;
- de brief met bijlagen van mr. Gerrand, gedateerd 9 januari 2009.
De zaak is behandeld ter zitting van 26 januari 2009. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Zijdens de man is tevens een tolk in de Marokkaanse taal verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden en ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding een voortgezette behandeling bepaald. De zaak is wederom behandeld ter zitting van 13 maart 2009. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Zijdens de man is tevens een tolk in de Marokkaanse taal verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt
De beoordeling
Bewijsstukken
De vrouw stelt dat de man niet middels bewijsstukken heeft aangetoond dat er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Hij heeft een afschrift van een huwelijksakte in het geding gebracht uit 2001, terwijl een afschrift niet ouder dan drie maanden is vereist. De vrouw wijst daarbij uitdrukkelijk op artikel 2.2. van het Procesreglement scheidingsprocedures.
De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 2.2 van het Procesreglement vindt zijn grondslag in artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), welk artikel onder andere bepaalt welke bescheiden moeten worden overgelegd bij een verzoek tot echtscheiding.
Artikel 815, lid 3, Rv, zoals dat luidde ten tijde van de indiening van het verzoekschrift en sinds 1 maart 2009 is opgenomen in artikel 815 lid 6 Rv, bepaalt dat indien bepaalde stukken redelijkerwijs niet kunnen worden overgelegd, kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter. Artikel 2.2. van het Procesreglement scheidingsprocedures bepaalt dat indien bij de indiening van het verzoekschrift niet alle (juiste) bescheiden zijn overgelegd, de ontbrekende stukken uiterlijk vóór afloop van de verweertermijn moeten zijn ingediend.
Naast het genoemde afschrift van de huwelijksakte is door de man bij brief van
18 september 2008, derhalve vóór afloop van de verweertermijn, een verklaring van het Marokkaanse consulaat in het geding gebracht ten bewijze van het huwelijk van partijen. Deze verklaring is door de vrouw niet betwist. Voorts blijkt uit de GBA-uittreksels van de gemeente [plaatsnaam] dat partijen staan ingeschreven als gehuwd. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat door de vrouw uitdrukkelijk de duurzame ontwrichting van het huwelijk is betwist. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de verplichting genoemd in artikel 815 Rv lid 2 juncto lid 3 (oud) in samenhang met
artikel 2.2. Procesreglement scheidingsprocedures en dat genoegzaam is gebleken dat partijen op 15 augustus 2001 in Marokko met elkaar zijn gehuwd.
Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt tevens de nationaliteit en de woonplaats van partijen, alsmede de geboorte van hun minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].
De rechtsmacht
Blijkens de overgelegde bescheiden hebben partijen beiden de Marokkaanse nationaliteit. Omdat partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om over het verzoek tot echtscheiding te oordelen (artikel 3 lid 1 sub a “Brussel II bis”-Verordening, nr. 2201/2003), alsmede over de verzoeken inzake het ouderlijke gezag, de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling, gelet op de gewone verblijfplaats van de kinderen.
Toepasselijk recht
Op het verzoek tot echtscheiding wordt het Marokkaanse recht toegepast, omdat dit het gemeenschappelijk nationaal recht van partijen is (artikel 1 lid 1 sub a van de Wet van 25 maart 1981, Stb. 1981, 166, Wet conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed).
Op het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning wordt Nederlands recht toegepast, omdat deze woning in Nederland is gelegen.
Gelet op de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland, wordt Nederlands recht toegepast op de verzochte voorzieningen inzake het ouderlijke gezag, de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling.
Ingevolge het bepaalde in artikel 4 van het Haags Alimentatieverdrag 1973 is op het verzoek tot kinderalimentatie Nederlands recht van toepassing.
Echtscheiding
Het verzoek tot echtscheiding van de man is gegrond op de stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man legt daaraan ten grondslag dat de relatie tussen hem en de vrouw definitief verstoord is en hij, nadat hij zulks kenbaar heeft gemaakt, ernstig werd bedreigd door de familie van de vrouw. Herstel van de huwelijksband is uitgesloten, aldus de man.
De vrouw betwist dat sprake is van een duurzame ontwrichting, nu zij niet bekend is met een diepgaande en voortdurende onenigheid tussen partijen die aan voortzetting van het huwelijk in de weg staan. Zij stelt dat de man zonder opgave van redenen is vertrokken en haar nooit heeft geïnformeerd waarom hij die stap heeft gezet. Volgens de vrouw is de man naar Marokkaans recht verplicht haar te informeren op grond waarvan hij echtscheiding wenst.
De vrouw verzoekt derhalve de procedure van verzoening toe te passen en te trachten een verzoening tussen partijen te bewerkstelligen, alsmede daartoe twee arbiters aan te wijzen die de oorzaken van het conflict dienen te doorgronden en al het mogelijke dienen te doen om het gestelde conflict te beëindigen. Zij betwist overigens de door de man gestelde mishandelingen.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. Tijdens een vakantie van partijen in 2006 is de relatie tussen partijen verstoord geraakt, omdat hij had vastgesteld dat de vrouw een relatie was aangegaan of heeft onderhouden met een ander, aldus de man. Nadien is getracht om te komen tot een herstel van de relatie met behulp van de wederzijdse ouders. Dit leidde volgens de man slechts tot bedreigingen, waarvan aangifte is gedaan. De vrouw verbleef vanaf 2006 regelmatig elders, zonder hem te informeren over haar doen en laten. Gelet hierop is de man van mening dat de grond voor echtscheiding is gelegen in een duurzame ontwrichting. Door de vrouw wordt dan ook ten onrechte verzocht de procedure voor een verstoting toe te passen, aldus de man.
Een poging tot verzoening is volgens de man niet noodzakelijk bij een duurzame ontwrichting, maar kan wel bijdragen aan de acceptatie van de echtscheidingsbeslissing in Marokko.
De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 94 van de Marokkaanse Familiewet 2004 (verder: de Mudawwana) bepaalt dat indien één of beide echtgenoten aan de rechtbank verzoeken een geschil te beslechten welke aanleiding geeft tot duurzame ontwrichting van het huwelijk, de rechtbank alles in het werk dient te stellen om een verzoening te bewerkstelligen, in overeenstemming met artikel 82 Mudawwana. Duurzame ontwrichting wordt hierbij gedefinieerd als een diepgaande en voortdurende onenigheid tussen de echtelieden, van een gradatie die de voortduring van de huwelijkse relatie onmogelijk maakt. Artikel 82 Mudawwana bepaalt dat indien beide echtgenoten verschijnen, de comparitie in de raadkamer wordt gevoerd waarbij de rechtbank getuigen kan horen alsmede anderen indien zij dat nuttig acht. De rechtbank kan alle maatregelen treffen, waaronder de benoeming van twee arbiters of de Familieraad of wie zij geschikt acht om een verzoening tussen hen beiden te bewerkstelligen. Indien er kinderen (uit het huwelijk) zijn, zal de rechtbank twee pogingen tot verzoening ondernemen met een tussenperiode van minstens dertig dagen. Indien een verzoening wordt bewerkstelligd tussen de echtgenoten wordt hiervan proces-verbaal opgemaakt, en de rechtbank verricht de getuigenis daarvan. Artikel 97 Mudawwana bepaalt dat indien de verzoening niet bewerkstelligd kan worden en de duurzame ontwrichting voortduurt, de rechtbank zulks vaststelt in een proces-verbaal, en de echtscheiding uitspreekt.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 26 januari 2009 heeft de man verklaard dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, omdat naar zijn mening de vrouw een relatie met een ander onderhield. Voorts heeft de man verklaard dat er in de huwelijksrelatie van partijen alleen maar sprake was van ruzie. Om die reden is hij al een aantal malen weggegaan bij de vrouw. Volgens de man zijn er al diverse bemiddelingspogingen binnen de familie ondernomen.
De vrouw heeft ter zitting de stellingen van de man ontkend en verklaard dat de man na de vakantie in 2006 spoorslags uit de echtelijke woning is vertrokken zonder opgave van reden.
Zij betwist overigens dat de man al eerder bij haar is weggegaan. Na zijn vertrek in 2006 heeft de man geen contact meer opgenomen met haar en heeft hij ook niet meer gevraagd naar de kinderen. Door de man is hierop verklaard dat hij geen contact met de vrouw opneemt vanwege bedreigingen van haar familie, welke bedreigingen door de vrouw worden ontkend.
Ter zitting van 26 januari 2009 is het de rechtbank niet gelukt partijen nader tot elkaar te brengen, aangezien zij beiden bleven volharden in hun standpunten. De behandeling is vervolgens aangehouden tot de zitting van 13 maart 2009, ten einde een tweede verzoeningspoging tussen partijen te bewerkstelling nu er minderjarige kinderen zijn betrokken. De man heeft ter zitting verklaard dat er geen contact meer is tussen hem en de vrouw, alsmede dat er in het verleden meerdere pogingen zijn gedaan tot bemiddeling en er naar zijn mening geen herstel van de huwelijksband mogelijk is.
De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij op haar standpunt blijft staan dat er nog wel een herstel mogelijk is. Zij heeft haar standpunt herhaald dat de man voorheen niet eerder bij haar weg is gegaan en dat er geen bemiddelingspoging is geweest via de familie.
De rechtbank is het ook ter zitting van 13 maart 2009 niet gelukt om partijen nader tot elkaar te brengen, omdat zij wederom bleven volharden in hun standpunten.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een verzoening als bedoeld in artikel 94 en artikel 82 van de Mudawwana niet bewerkstelligd kan worden en dat de duurzame ontwrichting voortduurt. Daarbij merkt de rechtbank op, dat naar haar oordeel de man zonder enige twijfel volhardt in zijn standpunt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat partijen ieder een geheel eigen mening hebben over hetgeen in het verleden wel of niet is gebeurd. Het verzoek tot echtscheiding ligt als op de (Marokkaanse) wet gegrond voor toewijzing vatbaar.
Huurrecht
Het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw na echtscheiding alleen huurster zal zijn van de echtelijke woning staande en gelegen aan de [adres] is door de vrouw niet betwist, zodat dit verzoek kan worden toegewezen.
Gezag
De vrouw verzoekt haar alleen te belasten met het gezag over de minderjarige kinderen. De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de man al jaren geen omgang heeft met de kinderen en het jongste kind zelfs nog nooit heeft gezien, alsmede dat partijen niet met elkaar communiceren. Om die reden is de vrouw van mening dat het risico bestaat dat de kinderen klem en verloren raken tussen de ouders.
De man voert verweer. De man is van mening dat niet is onderbouwd dat de kinderen klem zitten of verloren raken tussen de ouders. Hij erkent dat hij een ouderlijke verantwoordelijkheid heeft jegens de kinderen. Beide ouders zullen de verantwoordelijkheid moeten nemen om te komen tot een normaal contact met elkaar en met de kinderen.
Na debat ter zitting hebben partijen ingestemd met een verwijzing naar mediation, met name met betrekking tot de hierna te vermelden nevenvoorziening inzake de omgangsregeling en het verbeteren van hun onderlinge communicatie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vrouw inzake het gezag moet worden aangehouden in afwachting van de resultaten van de mediation
Hoofdverblijf
Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de kinderen na echtscheiding bij haar hoofdverblijf zullen hebben is door de man niet betwist, zodat dit verzoek kan worden toegewezen.
Omgangsregeling
De man verzoekt te bepalen dat hij gerechtigd is tot omgang met de kinderen gedurende een weekeinde per veertien dagen van zaterdagmorgen 09.30 uur tot zondagmiddag 17.30 uur.
De vrouw voert verweer. Zij stelt zich primair op het standpunt dat er tussen de man en de kinderen geen sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM. Volgens de vrouw heeft de man haar voor de geboorte van [minderjarige 2] verlaten en is er nadien geen contact meer geweest tussen de man en de kinderen. De man heeft nadien ook geen informatie meer gevraagd over de kinderen. Aldus is volgens de vrouw sprake van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de band tussen de man en de kinderen verbroken is.
Subsidiair stelt de vrouw dat het niet in het belang van de kinderen is dat de man omgang heeft. Door zijn plotselinge vertrek heeft hij zich uitermate onverantwoordelijk gedragen jegens de kinderen. De kinderen kennen de man niet en de man toont ook geen interesse in de kinderen.
Als reactie op het verweer van de vrouw is door de man gesteld dat na zijn vertrek contact niet meer mogelijk was vanwege de houding van de vrouw en haar familie. Volgens de man bestaat tussen ouders en kinderen per definitie family life. De man toont zich bereid om de omgang geleidelijk op te bouwen.
Na verder debat ter zitting hebben partijen ingestemd met een verwijzing naar mediation. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling aanhouden tot de hierna te melden pro forma datum.
Kinderalimentatie
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding een bedrag van € 76,-- per maand per kind dient te betalen. De vrouw is van mening dat de man in staat moet worden geacht om deze onderhoudsbijdrage te betalen, omdat hij in de periode van 28 november 2007 tot 8 februari 2008 in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien zonder uitkering en dus inkomsten uit arbeid moet hebben gehad. De vrouw stelt voorts dat de man in staat moet worden geacht om inkomsten uit arbeid te verwerven ter grootte van € 1.100,-- netto per maand, gelijk aan het inkomen ten tijde van de samenwoning. Nu de man niet aantoont dat hij zich inspant om werk te vinden, mag rekening worden gehouden met dat inkomen, aldus de vrouw, waarbij zij nog opmerkt dat bij betaling van een bijdrage van € 76,-- per maand per kind zijn inkomen niet onder 90% van de bijstandsnorm komt.
De man voert verweer. De man stelt dat hij in 2006 werkloos is geworden. De breuk met de vrouw en de werkloosheid hebben hem psychisch zodanig belast dat hij geen werk kon aanvaarden. Na afloop van de werkloosheidsuitkering per 28 november 2007 heeft hij een WWB-uitkering aangevraagd, die pas na de derde aanvraag per 3 maart 2008 is toegekend. In de tussenliggende periode is de man ondersteund door vrienden en door de plaatselijke moskee. In samenspraak met de gemeente wordt gekeken naar de kansen op de arbeidsmarkt. Een combinatie van het niet goed spreken van de Nederlandse taal, het ontbreken van een beroepsopleiding, weinig relevante ervaring en gezondheidsproblemen staat aan arbeidsinschakeling in de weg. Derhalve mag, volgens de man, ook geen rekening worden gehouden met een theoretische verdiencapaciteit. De man merkt nog op dat hij recentelijk een oog-operatie heeft ondergaan en dat hij maatschappelijk gezien zonder hulp zijn weg in Nederland niet kan vinden.
Behoefte
De behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 76,00 per maand per kind is door de man niet betwist.
Draagkracht van de man
Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat de man een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand (WWB) heeft. In het kader van de onderhavige procedure kan de noodzaak tot het verstrekken van die uitkering niet ter discussie staan. De WWB-uitkering van de man is derhalve een vaststaand gegeven.
Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat van de man verlangd kan worden dat hij zich actief inzet om een inkomen te verwerven. Dat de man de Nederlandse taal niet goed beheerst en geen beroepsopleiding heeft genoten, hoeft daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg te staan. De rechtbank passeert in dit verband tevens de stellingen van de man dat hij om gezondheidsredenen beperkt is in het aanvaarden van werk, nu daaromtrent door hem geen verifieerbare stukken in het geding zijn gebracht.
Op grond van de WWB rust op de man eveneens de verplichting om naar vermogen actief te zoeken naar werk. Indien deze verplichting door de man niet wordt nagekomen, zal dit gevolgen hebben voor de uitkering van de man in de vorm van een sanctie. De rechtbank is niet gebleken dat aan de man in de voorbije periode een sanctie is opgelegd. Vanuit de uitkeringsinstantie wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende toezicht uitgeoefend op de inspanningen van de man om werk te aanvaarden.
In dat verband merkt de rechtbank op dat op het moment dat de man een netto inkomen van € 1.100,-- per maand krijgt, waartoe de vrouw hem minimaal verplicht acht, en rekening houdend met woonlasten, ziektekosten, kosten omgangsregeling en alle relevante fiscale omstandigheden zoals huur- en zorgtoeslag, de heffingskortingen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, er naar het oordeel van de rechtbank bij de man geen substantiële draagkracht zal ontstaan om een onderhoudsbijdrage te betalen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man thans geen draagkracht heeft om een onderhoudsbijdrage te betalen. De verzochte onderhoudsbijdrage wordt derhalve bepaald op nihil.
Proceskosten
De tot op heden gevallen proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.
De beslissing
De rechtbank:
spreekt tussen partijen, die op 15 augustus 2001 te [plaats van de huwelijkssluiting] (Marokko) met elkaar zijn gehuwd, na een poging tot verzoening, de echtscheiding uit op grond van een duurzame ontwrichting;
bepaalt dat de vrouw vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand huurster zal zijn van de woning aan het adres: [adres];
bepaalt de hoofdverblijfplaats van voornoemde minderjarigen bij de vrouw;
bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw zal betalen € 0,00 (nihil) per kind per maand, zulks met ingang van de dag waarop deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten en/of regelingen ten behoeve van de minderjarigen kan of zal worden verstrekt, met bepaling dat eventuele kosten van tenuitvoerlegging van deze beslissing voor rekening van de man komen voor zover deze door hem veroorzaakt worden;
houdt de verdere behandeling en beslissing inzake het gezag en de omgangsregeling pro forma aan tot de zitting van deze rechtbank van 02 juni 2009 in afwachting van de resultaten van de mediation;
verklaart de beslissingen met betrekking tot het huurrecht, het hoofdverblijf en de kinderalimentatie (behoudens ten aanzien van de eventuele executiekosten) uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de tot op heden gevallen proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J Heijerman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2009 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen wederpartij, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak
b. door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.