
Jurisprudentie
BI0226
Datum uitspraak2009-03-09
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 09/341 BESLU
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 09/341 BESLU
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
Besluit tot niet aanbieden woning impliceert weigering huisvestingsvergunning.
Verweerder dient zich voor wat betreft de verlening van een huisvestingsvergunning niet op te stellen in de hoedanigheid van woningstichting.
Bij de belangenafweging dient in aanmerking te worden genomen dat ingevolge een door verweerder verleende urgentieverklaring de zwaarwegende verplichting bestaat om verzoekster een woning aan te bieden. De woning waarvoor de huisvestingsvergunning is gevraagd voldoet aan alle daaraan te stellen voorwaarden, ook gelet op persoonlijke situatie van verzoekster. Met aflossing bestaande huurschuld is inmiddels aangevangen.
Toewijzing voorlopige voorziening, in dier voege dat verzoekster per direct dient te worden behandeld als ware haar de gevraagde huisvestingsvergunning verleend.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Reg.nr.: AWB 09/341 BESLU
UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
op het verzoek om een voorlopige voorziening van
[verzoekster], wonende te [plaats],
ter zake van het besluit van 5 november 2008 van het Dagelijks Bestuur van het Samenwerkingsorgaan [A], verweerder, waarbij is besloten de woning aan de [adres] niet aan te bieden aan verzoekster.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 18 november 2007 (lees: 2008) bij verweerder bezwaar gemaakt. Bij brief van 15 januari 2009 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek is op 30 januari 2009 ter zitting behandeld.
Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.J.A. Sprenger als haar raadsman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B]. Voorts is verschenen [C] van Woningstichting [D].
Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopige karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.1 De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting met overeenkomstige toepassing van artikel 8:64 van de Awb geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen met elkaar in overleg te treden en de voorzieningenrechter binnen drie weken te berichten over de uitkomst van dit overleg.
2.2 Verzoekster heeft de voorzieningenrechter bij brief van 13 februari 2009 medegedeeld dat geen overeenstemming is bereikt. Verweerder heeft in dit kader bij brief van
24 februari 2009 de brief van 16 februari 2009 van Woningstichting [D] overgelegd, waarbij deze Woningstichting een door verzoekster aangeboden aflossingsvoorstel heeft afgewezen.
2.3 Partijen hebben toestemming verleend om in deze zaak uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter heeft daarop het onderzoek gesloten.
3. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt bij de beoordeling van het onderhavige verzoek van het volgende uitgegaan.
3.1 Bij besluit van 4 oktober 2007 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een urgentieverklaring afgewezen. Bij besluit van 29 januari 2008 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 4 oktober 2007 ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld (AWB 08/3009 HUISV).
Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft verweerder eiseres met toepassing van de hardheidsclausule een urgentieverklaring toegekend, waarbij is medegedeeld dat verzoekster alleen voorrang krijgt op woningen met het zoekprofiel etagewoning met of zonder lift vanaf de 1e etage. De rechtbank heeft het beroep, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 29 augustus 2008.
Verzoekster heeft haar beroep gehandhaafd.
3.2 Verzoekster heeft zich ingeschreven voor de woning aan de [adres].
3.3 Bij het bestreden besluit van 5 november 2008 heeft verweerder geweigerd verzoekster de woning toe te wijzen omdat zij is ontruimd uit een woning van Woningstichting [D] wegens huurachterstand.
3.4 Verzoekster heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, sector civiel recht, in kort geding onder meer verzocht de Woningstichting [D] te verbieden de woning aan de [adres] te verhuren aan dan wel te laten betrekken door een ander dan verzoekster en de woning aan verzoekster toe te wijzen. De behandeling van dit kort geding is aangehouden.
4. Verzoekster heeft voor de gronden van het onderhavige verzoek verwezen naar de (concept) kort geding dagvaarding, welke er toe strekken dat verzoekster volgens de regels van het systeem van woningtoewijzing in Leiden een woning heeft gevonden. Dit systeem schept verwachtingen. Verzoekster behoort als bijstandsgerechtigde tot de laagste inkomenscategorieën, waardoor geen andere mogelijkheid bestaat om aan een huurwoning te komen. Voorts heeft zij gewezen op het feit dat zij medische problemen heeft, dat zij sinds 2003 met haar minderjarig kind min of meer een zwervend bestaan leidt en dat haar kind onder behandeling staat van een kindertherapeute.
5.1 Ingevolge artikel 5, eerste volzin, van de Huisvestingswet (hierna: de wet) kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruiknemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de wet is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, in gebruik te nemen voor bewoning.
Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de wet is het verboden een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning.
5.2 Ingevolge artikel 5 van de Huisvestingsverordening [A] 2005 (hierna: de Huisvestingsverordening) is het conform artikel 7, tweede lid, van de wet verboden een woonruimte, als bedoeld in artikel 1, zonder huisvestingsvergunning van het Dagelijks Bestuur in gebruik te nemen of te geven.
5.3 Artikel 7 van de Huisvestingsverordening – voor zover hier van belang – luidt als volgt:
(…)
3. Onverminderd het bepaalde in het vierde en vijfde lid van dit artikel verleent het Dagelijks Bestuur de huisvestingsvergunning voor in een woonruimte welke wordt verhuurd door een in de regio werkzame corporatie als betrokkene hiervoor in aanmerking komt naar de rangorde omschreven in artikel 15.
(…)
9. De huisvestingsvergunning kan worden geweigerd als de bestaande huurovereenkomst van de betrokken woningzoekende is of dreigt te worden ontbonden in verband met overlast, gevaar, schade of huurschuld.
5.4 Ingevolge artikel 25 van de Huisvestingsverordening is het Dagelijks Bestuur bevoegd de uitoefening van de bevoegdheden krachtens deze verordening te mandateren aan onder meer functionarissen van de Vereniging van Wooncorporaties [A] ([...]) en andere aanbieders van woonruimte die deelnemen aan het convenant, behoudens onder meer de bevoegdheden als bedoeld in artikel 7, vierde, vijfde en zevende lid.
6. Vast staat dat aan verzoekster op grond van de Huisvestingsverordening [A] 2005 een urgentieverklaring is toegekend. Verzoekster heeft ter zitting het beroep met reg.nr. AWB 08/3009 BESLU ingetrokken. Daarmee staat het bij de urgentieverklaring vastgestelde zoekprofiel in rechte vast.
7. Partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat bij het bestreden besluit van
5 november 2008 impliciet een huisvestingsvergunning is geweigerd voor de woning aan de [adres].
De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit van 5 november 2008 als zodanig lezen.
Niet in geschil is dat de bestuursrechtelijke procedure alleen openstaat tegen de weigering van de huisvestingsvergunning. De voorzieningenrechter zal zich bij de beoordeling van het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening derhalve beperken tot dit onderdeel van het bestreden besluit.
8. Het bestreden besluit is genomen door een medewerkster van de Afdeling Wonen van Woningstichting [D]. Uit het Reglement Mandaat-, Machtiging- en Volmachtbesluit Samenwerkingsorgaan [A] van 30 maart 2006, in werking getreden met ingang van 15 april 2006, en het bijbehorende schema volgt dat ondermandaat is verleend aan de verhuurmedewerker van de corporatie aangesloten bij het Convenant Woonruimteverdeling [A] 2005 om namens verweerder te beslissen omtrent een huisvestingsvergunning. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat sprake is van een ondermandaatverhouding met Woningstichting [D].
De voorzieningenrechter overweegt dat, nu het bestreden besluit niet is genomen namens verweerder, sprake is van een bevoegdheidsgebrek. Dit kan worden hersteld in de te nemen beslissing op bezwaar en vormt als zodanig geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
9.1 De voorzieningenrechter overweegt dat zowel de toekenning van de urgentieverklaring als de weigering om de gevraagde huisvestingsvergunning te verlenen tot de bevoegdheid behoort van hetzelfde bestuursorgaan, zijnde verweerder. Het gaat daarbij niet aan dat verweerder zich voor wat betreft de verlening van een huisvestingsvergunning eenzijdig opstelt in de hoedanigheid van Woningstichting [D].
9.2 Verweerder dient bij zijn besluitvorming met betrekking tot het al dan niet verlenen van een huisvestingsvergunning alle betrokken belangen af te wegen. Daarbij hoort ook het feit dat verweerder aan verzoekster bij besluit van 29 augustus 2008 een urgentieverklaring heeft afgegeven. In dit besluit is verzoekster medegedeeld dat dit urgentiebewijs zes maanden geldig is. De eerste vier maanden dient verzoekster zelf via de internetsite [site] te kijken naar woningaanbiedingen die passen binnen haar zoekprofiel. Heeft verzoekster binnen vier maanden geen passende woonruimte gevonden, dan zal één van de deelnemende corporaties in de regio [A] in de twee resterende maanden voor haar een passende woning zoeken, aldus verweerder.
De voorzieningenrechter overweegt dat in het besluit van 29 augustus 2008 met betrekking tot de resterende twee maanden de op verweerder rustende verplichting ingevolge artikel 21, zesde lid, van de Huisvestingsverordening is weergegeven. In artikel 21, zesde lid, van de Huisvestingsverordening is immers bepaald dat de woningcorporatie zelf één keer een passende woning overeenkomstig het zoekprofiel zal aanbieden als de urgente tot twee maanden voor beëindiging van de urgentieverklaring nog geen andere woning heeft.
9.3 Gebleken is dat de woning aan de [adres] voldoet aan alle eisen die daaraan gesteld kunnen worden en ook overigens, gelet op de persoonlijke situatie van verzoekster, als geschikte woning voor verzoekster in aanmerking komt. Niet in geschil is dat verzoekster, na vaststelling van de kandidatenlijst, is aangemerkt als kandidaat 1 voor deze woning.
9.4 De voorzieningenrechter kan er begrip voor opbrengen dat door verweerder bij de belangenafweging ook gekeken wordt naar de geschiedenis van verzoekster als huurster. Niet in geschil is dat verzoekster in het verleden uit een woning van Woningstichting [D] is ontruimd wegens huurachterstand. Deze huurgeschiedenis is, wat er ook zij van de omstandigheden, beslist niet fraai te noemen en niet voor herhaling vatbaar. Gebleken is dat de Stadsbank te [plaats] inmiddels verzoeksters financiën beheert in het kader van schuldhulpverlening en dat verzoekster is begonnen met afbetaling van de huurschuld. Voor zover deze aflossing (nog) niet is gedaan in het kader van een aflossingsregeling, dient verzoekster, eventueel met behulp van de Stadsbank, een aflossingsregeling te treffen met Woningstichting [D]. De voorzieningenrechter gaat er overigens van uit dat verzoekster haar ter zitting gedane toezegging dat zij wil meewerken aan een strikte aflossingsregeling gestand zal doen en deze niet eenzijdig zal intrekken.
Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de gedane aflossing en de toekomstige aflossingen bij een gelijkblijvende situatie beduidend minder is en zullen zijn dan
Woningstichting [D] thans voor ogen heeft. Dit geldt evenzeer voor de - overigens niet haalbare - eis van Woningstichting [D] dat per direct de helft van de schuld dient te worden voldaan.
9.5 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, alle belangen afwegend en gelet op zijn zwaarwegende verplichting tot het aanbieden van een woning op grond van de aan verzoekster verleende urgentieverklaring, in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren verzoekster de gevraagde huisvestingsvergunning te verlenen.
10. Gelet op het voorgaande komt het verzoek om een voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking, in dier voege dat verweerder verzoekster per direct dient te behandelen als ware haar de huisvestingsvergunning verleend voor de woning aan de [adres].
11. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--
(1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoekster ter zake van dit verzoek een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
1. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder verzoekster per direct dient te behandelen als ware het verzoek om toekenning van een huisvestingsvergunning voor de woning aan de [adres] ingewilligd;
2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van het Samenwerkingsorgaan [A] als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden en dient uit te betalen aan de griffier;
3. gelast dat voormelde rechtspersoon het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 145,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.C. de Rijke-Maas, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2009, in tegenwoordigheid van A.J. Faasse - van Rossum, als griffier.