Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0224

Datum uitspraak2008-12-08
Datum gepubliceerd2009-04-08
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers174900/08-3019
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Erfrechtverzoek; artt. 1:250, 1:345 lid 1 sub a , 4: 126, 4: 65 juncto 4:7 lid 1 sub a BW en 131 Overgangswet Nieuw BW Samenvatting: Verzoekster en erflater, ouders van twee minderjarige kinderen, waren ten tijde van het overlijden niet gehuwd, noch was sprake van een geregistreerd partnerschap, maar wel van een gemeenschappelijke huishouding tot aan het overlijden van erflater en een samenlevingsovereenkomst met een verblijvingsbeding. Inhoud verblijvingsbeding: verdeling onder opschortende voorwaarde van overlijden van één van partijen. Verzocht wordt om goedkeuring te verlenen voor de vaststelling van de legitieme porties van de kinderen en de in dat kader door verzoekster te stellen zekerheid in de vorm van een recht van tweede hypotheek op het woonhuis, alsmede machtiging te verlenen om bij de berekening van de legitieme portie het bedrag van een spaarzekerverzekering buiten beschouwing te laten op grond van een natuurlijke verbintenis en de uitbetaling van de vorderingen van de kinderen op te schorten tot het overlijden van verzoekster. De kantonrechter oordeelt dat in de omstandigheden van het geval de benoeming van een bijzonder curator niet aan de orde hoeft te komen. Op basis van in de beschikking weergegeven omstandigheden oordeelt de kantonrechter verder dat de spaarzekerverzekering is aan te merken als een sommenverzekering die is afgesloten om een in rechte afdwingbare verbintenis, in casu een verbintenis uit kredietverschaffing, na te komen. Aanwijzing van een begunstigde is daarom geen gift. De uitkering op de verzekering geschiedt buiten de nalatenschap om direct aan de hypotheekverstrekker, zodat daarmee geen rekening hoeft te worden gehouden bij de berekening van de legitimaire massa en deze in het kader van 4:126 BW buiten beschouwing dient te blijven. Hiermee hangt samen dat de (het) onlosmakelijk aan deze uitkering verbonden (aandeel van erflater in de) hypothecaire geldlening dient te worden aangemerkt als schuld van de erflater die met zijn dood tenietgaat op basis van artikel 4:65 juncto 4:7 lid 1 sub a BW, met welke schuld daarom eveneens geen rekening hoeft te worden gehouden bij de berekening van de legitimaire massa. De kantonrechter berekent op basis hiervan de legitieme portie van de kinderen en stelt deze vast. In de in de beschikking vermelde omstandigheden keurt de kantonrechter voorts de uitgestelde opeisbaarheid van het erfdeel van de kinderen goed onder het stellen van zekerheid in de vorm van een recht van tweede hypotheek op de woning.


Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG Sector kanton Locatie Middelburg zaak/repnr.: 174900 / 08-3019 beschikking van de kantonrechter d.d. 8 december 2008 in zake een verzoek tot het verlenen van machtiging en goedkeuring op grond van de artikelen 1:345 lid 1 sub a BW, 4:126 BW en 131 Overgangswet BW. Het procesverloop Op 3 oktober 2008 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift met bijlagen ingediend door kandidaat-notaris mr. B.Q. Claas verbonden aan Sauer & Oonk Notarissen te Vlissingen, namens: [verzoekster], handelend als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen: - [erfgename 1], geboren te [2001], en - [erfgename 2] geboren te [2004], allen wonende te [adres], hierna: verzoekster. Nadat het dossier bij de rechtbank in het ongerede is geraakt, is op 14 november 2008 een duplicaatdossier ontvangen. Op 26 november 2008 is een telefaxbericht ontvangen met als bijlage de berekening legitieme portie per kind. Vervolgens heeft op 27 november 2008 een mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Tijdens die behandeling zijn stukken betreffende spaarzeker- en lijfrenteverzekeringen overgelegd. De beoordeling van de zaak 1. Het betreft een verzoek in zake de nalatenschap van de heer [erflater] (hierna te noemen: erflater), geboren te [1967] en overleden te [datum en plaats overlijden]. De laatste woonplaats van erflater is [adres]. 2. Verzoekster en erflater waren ten tijde van het overlijden niet gehuwd en er was eveneens geen sprake van een geregistreerd partnerschap. Wel hebben zij vanaf 1 augustus 1992 tot aan het overlijden een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Voorts zijn zij op 3 april 1998 voor mr. H.J.A.M. Jacobse-Sluijmer, notaris te Zoetermeer, een samenlevingsovereenkomst aangegaan waarin een verblijvingsbeding is opgenomen, inhoudende een verdeling onder opschortende voorwaarde van overlijden van één van partijen. 3. Uit de samenleving van verzoekster en erflater zijn twee, thans nog minderjarige, kinderen geboren, te weten [erfgename 1] en [erfgename 2] voornoemd. Deze kinderen zijn door erflater erkend en verzoekster is thans alleen belast met het ouderlijk gezag over deze kinderen. 4. Het verzoek komt er op neer dat verzocht wordt om goedkeuring te verlenen voor de vaststelling van de legitieme porties van de kinderen en de in dat kader door verzoekster te stellen zekerheid in de vorm van het verlenen van een recht van tweede hypotheek op het woonhuis aan de [adres], alsmede dat verzocht wordt om machtiging te verlenen om bij de berekening van de legitieme portie het bedrag van de spaarzekerverzekering van Interpolis ad € 150.000,00 buiten beschouwing te laten en de uitbetaling van de vorderingen van de kinderen op te schorten tot het overlijden van verzoekster. 5. In het onderhavige geval is sprake van een situatie als geregeld in artikel 1:250 BW. Indien dit in de belangen van de minderjarige kinderen noodzakelijk is, kan de kantonrechter ambtshalve overgaan tot de benoeming van een bijzonder curator ter behartiging van de belangen van die kinderen. Ondanks de mogelijke tegenstrijdigheid in de vermogens-rechtelijke belangen tussen verzoekster en de kinderen is de kantonrechter, gelet op de inhoud van het verzoek en de daarop namens verzoekster gegeven toelichting tijdens de mondelinge behandeling, van oordeel dat in het verzoek voldoende rekening is gehouden met de waarborging van de belangen van de minderjarigen, zodat de benoeming van een bijzonder curator niet aan de orde hoeft te komen. 6. De goedkeuring van de vaststelling van de legitieme portie van de kinderen en de machtiging om bij de berekening van de legitieme portie het bedrag van de spaarzeker-verzekering van Interpolis ad € 150.000,00 buiten beschouwing te laten, houdt zodanig verband met elkaar dat deze twee verzoeken gezamenlijk zullen worden behandeld. Namens verzoekster wordt vaststelling van de legitieme portie van de kinderen op een bedrag van € 70.394,50 per kind verzocht. Aan dit verzoek is een conceptakte vaststelling legitieme portie met daarbij gevoegd een berekening legitieme portie ten grondslag gelegd. Aan de hand van een bijgevoegde aangifte voor de successierechten valt vast te stellen dat deze legitieme portie als volgt is becijferd: Activa Woning € 139.500,00 Banktegoeden € 21.169,00 Effecten € 9.134,00 Spaarverzekeringspolis € 150.000,00 Lijfrentepolis € 73.196,00 Totaal actief € 392.999,00 Passiva Hypothecaire schuld € 103.500,00 Kosten graf € 7.920,00 Totaal passief € 111.420,00 Saldo nalatenschap € 281.579,00 Erfdeel per kind, 1/2 deel € 140.789,50 Legitimie portie per kind € 70.394,75 In deze berekening, resulterend in een legitieme portie van € 70.394,75 per kind, is echter de spaarzekerverzekering van Interpolis ad € 150.000,00 verdisconteerd. Indien de kantonrechter van oordeel is dat deze verzekering bij de berekening van de legitieme portie buiten beschouwing moet worden gelaten, zoals is verzocht, dan is dit direct van invloed op de hoogte van de berekende legitieme portie. 7. Volgens verzoekster is er reden om voormelde verzekering bij de berekening van de legitieme portie buiten beschouwing te laten op grond van het bepaalde in artikel 4:126 BW aangezien er in dit kader sprake van is dat de afsluiting van de spaarverzekering is geschied ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater ten opzichte van verzoekster. Deze natuurlijke verbintenis vindt haar grondslag volgens verzoekster in artikel 1 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst. Wat hier ook van zij, uit de overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting blijkt dat: - de spaarzekerverzekering van Interpolis met een uitkering ad € 150.000,00 bij overlijden van erflater voor 2031 is aan te merken als een sommenverzekering; - deze verzekering onverbrekelijk is verbonden aan de door erflater en verzoekster afgesloten hypothecaire geldlening betreffende de aankoop van voornoemd woonhuis; - de begunstigde de verzekerde uitkering zal aanwenden ter aflossing van de eigenwoningschuld in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de verzekeringnemer, van diens echtegeno(o)t(e) of van degene met wie de verzekeringnemer duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert; - de verzekeringsnemers, erflater en verzoekster, de rechten uit deze verzekering hebben verpand aan de hypotheekverstrekkers; - die pandhoudsters mede zijn aangewezen als eerste begunstigden ten aanzien van de verzekerde uitkering zodat de uitbetaling van een uitkering in eerste instantie aan de pandhouders zal geschieden ter aflossing van de nog bestaande schuld uit de hypothecaire geldlening. Op basis van deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de sommen-verzekering is afgesloten om een in rechte afdwingbare verbintenis na te komen, in casu om een verbintenis uit kredietverschaffing te voldoen. In dat geval is er bij de aanwijzing van een begunstigde geen sprake van een gift. De uitkering geschiedt in dat geval geheel buiten de nalatenschap om door de verzekeraar rechtstreeks aan de hypotheekverstrekkers en dient voor de berekening van de legitimaire massa en in het kader van artikel 4:126 BW buiten beschouwing te blijven. Hiermee hangt samen dat de onlosmakelijk aan deze uitkering verbonden hypothecaire geldlening, althans het aandeel daarin van erflater, dient te worden aangemerkt als een schuld van de erflater die met zijn dood tenietgaat op grond van artikel 4:65 juncto 4:7 lid 1 sub a BW. Met deze schuld dient derhalve eveneens geen rekening te worden gehouden bij de berekening van de legitimaire massa. Bovenstaande becijfering zou in dat geval als volgt moeten worden: Activa Woning € 139.500,00 Banktegoeden € 21.169,00 Effecten € 9.134,00 Spaarverzekeringspolis buiten beschouwing te laten Lijfrentepolis € 73.196,00 Totaal actief € 242.999,00 Passiva Hypothecaire schuld buiten beschouwing te laten Kosten graf € 7.920,00 Totaal passief € 7.920,00 Saldo nalatenschap € 235.079,00 Erfdeel per kind, 1/2 deel € 117.539,50 Legitimie portie per kind € 58.769,75 De kantonrechter zal verzoekster machtiging verlenen voor het inroepen van de legitieme portie namens de kinderen berekend op een bedrag van € 58.769,75 per kind. 8. Verzoekster heeft ten aanzien van de opeisbaarheid van de legitieme portie met een beroep op artikel 131 van de Overgangswet Nieuw BW verzocht om goedkeuring van het feit dat de legitieme portie van de kinderen pas opeisbaar zal zijn bij haar overlijden. Op grond van deze wettelijke bepaling tegen de achtergrond van de in dat kader door verzoekster te stellen zekerheid in de vorm van een recht van tweede hypotheek en de in de conceptakte vaststelling legitieme verder opgenomen opeisbaarheidsgronden zal de kantonrechter hiervoor zijn goedkeuring verlenen. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat de uitgestelde opeisbaarheid van het erfdeel van de kinderen ook het geval zou zijn onder het wettelijke versterferfrecht, dat ten volle zou gelden als het verblijvingsbeding in het samenlevingscontract er niet was geweest. Voorts heeft de kantonrechter in dit kader rekening gehouden met de omstandigheid dat met de onder 7 vermelde uitkering een deel van de hypothecaire geldlening tot zekerheid waarvan een recht van eerste hypotheek op de woning rust is afgelost, zodat aan te nemen valt dat een recht van tweede hypotheek op de woning voor de kinderen een redelijke zekerheid voor hun vordering zal inhouden. Bovendien kan ten aanzien van de gestelde zekerheid voor de vorderingen van de kinderen geen wijziging worden aangebracht door verzoekster dan met toestemming van de kantonrechter, zodat de positie van de kinderen voldoende is gewaarborgd. de beslissing De kantonrechter: machtigt verzoekster tot het inroepen van de legitieme portie namens de kinderen, [erfgename 1] en [erfgename 2] voornoemd, berekend op een bedrag van € 58.769,75 per kind onder de voorwaarde dat deze legitieme portie pas opeisbaar zal zijn bij het overlijden van verzoekster (of één van de andere in de conceptakte vaststelling legitieme opgenomen opeisbaarheids-gronden) en dat tot zekerheid voor de vordering van de kinderen een recht van tweede hypotheek wordt gevestigd op het woonhuis staande en gelegen te [adres]; wijst af wat meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mr. B.J.R.P. Verhoeven, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.