Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0217

Datum uitspraak2007-03-26
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 06/4921
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geclaimde aftrek buitengewone uitgaven wegens ziekte en invaliditeit terecht geweigerd.


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 06/4921 Uitspraakdatum: 26 maart 2007 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [x], wonende te [Z], eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Zwolle, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [00].H.46) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.089. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 augustus 2006 de aanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 september 2006, ontvangen bij de rechtbank op 22 september 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2007 te Arnhem. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar zus. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde]. De onderhavige zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer AWB 06/4510, betreffende het jaar 2003. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en verweerder. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast. Eiseres is geboren in 1952. Zij heeft onder meer lichamelijke beperkingen aan benen, armen en handen, is arbeidsongeschikt en genoot in 2004 een WAO-uitkering van € 27.192. Eiseres woont in 2004 ongehuwd samen met de heer [A]. Bij het indienen van de aangifte IB/PVV 2004 is niet geopteerd voor fiscaal partnerschap. Eiseres heeft voor het jaar 2004 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.852. In de aangifte heeft eiseres een persoonsgebonden aftrek in verband met uitgaven wegens ziekte en invaliditeit opgevoerd van € 12.332. Rekening houdend met de drempel van € 2.992, heeft eiseres een aftrek geclaimd van € 9.340. In aanvulling heeft eiseres een specificatie van haar ziektekosten verstrekt waarbij ze in totaal haar ziektekosten berekend op € 12.262. Bij de aanslagregeling IB/PVV over 2004 heeft verweerder de volgende posten niet of niet geheel aangemerkt als aftrekbare buitengewone uitgaven wegens ziekte en invaliditeit: - rente Arenda (tuinlease) € 255 - rente flexibel krediet € 2.855 - kosten onderhoud gebit € 60 - kosten tuinonderhoud € 751 - aftrek wegens chronische ziekte € 776 - aanschaf lamp € 200 - kosten ziekenbezoek € 92 Totaal € 4.989 Verweerder heeft in totaal, rekening houdend met de drempel van € 2.992 en de verhogingsfactor, een bedrag van € 4.103 als aftrekbare buitengewone uitgaven wegens ziekte en invaliditeit in aanmerking genomen. Dienovereenkomstig is de definitieve aanslag IB/PVV over 2004 opgelegd. Eiseres heeft bezwaar aangetekend tegen de opgelegde aanslag. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte de volgende posten niet als aftrekbare buitengewone uitgaven wegens ziekte en invaliditeit heeft geaccepteerd: - rente Arenda (tuinlease) € 255 - rente flexibel krediet € 2.855 - kosten onderhoud gebit € 60 - kosten tuinonderhoud € 751 - aftrek wegens chronische ziekte € 776 - aanschaf lamp € 200 - Totaal € 4.897 3. Geschil In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht een correctie heeft aangebracht op de door eiseres geclaimde persoonsgebonden aftrek in verband met buitengewone uitgaven wegens ziekte en invaliditeit. Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend. 4. Beoordeling van het geschil Wettelijk kader Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, juncto tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) behoren buitengewone uitgaven tot de persoonsgebonden aftrek. Ingevolge artikel 6.16, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 worden -voor zover van belang- de uitgaven wegens ziekte en invaliditeit van de belastingplichtige en zijn partner tot de buitengewone uitgaven gerekend. Ingevolge onderdeel c van het voormelde artikel, worden uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid of chronische ziekte van de belastingplichtige tot de buitengewone uitgaven gerekend. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden -voor zover van belang- als uitgaven wegens ziekte en invaliditeit aangemerkt de daarmee verband houdende: a. uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer; b. uitgaven voor extra gezinshulp; c. extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet indien zij meer bedragen dan € 113; d. extra uitgaven voor kleding en beddengoed; e. uitgaven voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen. Ingevolge het tweede lid van artikel 6.17 van de Wet IB 2001 wordt als hulpmiddel mede aangemerkt een middel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. Ingevolge artikel 6.20, eerste lid, juncto het tweede lid, van de Wet IB 2001 kan een bedrag van € 776 in aanmerking worden genomen als uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar en aannemelijk maakt dat hij door ziekte of gebreken niet in staat is om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde belastingplichtigen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen, en daartoe hetzij in het afgelopen jaar niet in staat is geweest hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar niet in staat zal zijn. Ingevolge artikel 6.20a, eerste lid, juncto het tweede lid, van de Wet IB 2001 kan een bedrag van € 776 als uitgaven wegens chronische ziekte in aanmerking worden genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar en niet in aanmerking komt voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 6.20 en voorts al dan niet tezamen met zijn partner in het kalenderjaar voor meer dan € 307 aan uitgaven heeft gedaan voor de in het eerste lid van het artikel vermelde kosten. Ingevolge het eerste lid van onderdeel ASa van de Invoeringswet Wet IB 2001 kunnen voor de kalenderjaren 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005 renten van schulden, voorzover deze renten verband houden met schulden die op 31 december 2000 bestaan en zijn aangegaan ter bekostiging van uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit, mede als buitengewone uitgaven in de zin van afdeling 6.5 van de Wet IB 2001 worden aangemerkt. Rente Arenda (tuinlease) Eiseres heeft aangevoerd dat zij voor de aanleg van haar tuin in september 1998 een schuld is aangegaan bij Arenda. Destijds is er een verhard pad aangelegd, zodat eiseres gebruik kan maken van haar scootmobiel. Nu eiseres dit voertuig in verband met haar lichamelijke beperkingen nodig heeft, heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de schuld bij Arenda is aangegaan ter bekostiging van uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit. Op grond van de overgangsregeling, zoals opgenomen in onderdeel ASa van de Invoeringswet Wet IB 2001, heeft eiseres de hierover betaalde rente aangemerkt als buitengewone uitgaven. De rechtbank overweegt dat de kosten voor het aanleggen van een verhard pad als uitgaven ter zake van ziekte en/of invaliditeit kunnen worden beschouwd indien de erfverharding als een hulpmiddel, als bedoeld in het tweede lid van artikel 6.17 van de Wet IB 2001, kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake, aangezien het verharde pad niet als een zelfstandige zaak kan worden aangemerkt. Na de aanleg hiervan is het een bestanddeel geworden van de woning met erf (vgl. Hof Leeuwarden 4 juli 2003, nr. 02/0461, VN 2003/49.13 en Hoge Raad 24 november 1993, nr. 29 585, BNB 1994/40). Nu de erfverharding niet is te rangschikken onder de uitgaven ter zake van ziekte en/of invaliditeit in de zin van afdeling 6.5 van de Wet IB 2001, heeft eiseres reeds hierom geen recht op de geclaimde renteaftrek. Derhalve heeft verweerder terecht deze kostenaftrek niet geaccepteerd. Rente flexibel krediet Eiseres heeft aangegeven dat ze in de periode 1995 tot en met 2000 diverse malen een reis naar Sri Lanka heeft gemaakt. Eiseres zou deze reizen, vanwege de lucht- en zeewatertemperatuur aldaar, in verband met haar ziekte hebben gemaakt. Daarnaast heeft ze verklaard dat ze toentertijd Ayurveda behandelingen in een kuurcentrum heeft ondergaan. Eiseres heeft een folder en prijslijst overgelegd, doch geen facturen en evenmin stukken waaruit blijkt dat ze de behandelingen op medisch voorschrift heeft ondergaan. Eiseres heeft aangevoerd dat de reiskosten naar Sri Lanka tot haar uitgaven wegens ziekte of invaliditeit dienen te worden gerekend. Ter bekostiging van de reizen zou ze in de periode tot en met 2000 een flexibel krediet hebben opgenomen. De hierover betaalde rente heeft eiseres, op grond van de overgangsregeling zoals opgenomen in onderdeel ASa van de Invoeringswet Wet IB 2001, als buitengewone uitgaven aangemerkt. De rechtbank stelt voorop dat reiskosten die in verband met een ziekte worden gemaakt voor het nemen van zon- en zeebaden naar een zonnig oord in het buitenland, niet als uitgaven voor genees- en heelkundige hulp kunnen worden aangemerkt, zelfs niet wanneer dit geschiedt op medisch voorschrift (vgl. Hoge Raad 19 december 1979, nr. 19 668, BNB 1980/31). Voorts oordeelt de rechtbank dat eiseres onvoldoende stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij in de jaren 1995 tot en met 2000 genees- of heelkundige behandelingen heeft ondergaan in Sri Lanka. Nu niet aannemelijk is geworden dat eiseres in de periode 1995 tot en met 2000 in Sri Lanka medische behandelingen heeft ondergaan, kunnen de reiskosten niet als uitgaven wegens ziekte of invaliditeit worden aangemerkt. Reeds hierom heeft eiseres geen recht op renteaftrek ter zake van het flexibel krediet ingevolge onderdeel ASa van de Invoeringswet IB 2001. Derhalve oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht de renteaftrek heeft gecorrigeerd. Kosten onderhoud gebit Eiseres heeft betoogd dat de door haar gemaakte kosten voor het gebruik van een elektrische tandenborstel tot haar ziektekosten behoren omdat zij, in verband met de lichamelijke beperking aan haar rechterhand, geen gewone tandenborstel kan gebruiken. Een middel kan als hulpmiddel, in de zin van artikel 6.17, tweede lid, van de Wet IB 2001, worden aangemerkt als het de persoon in staat stelt tot het verrichten van normale lichaamsfuncties. In artikel 20a, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 is vermeld dat de zaken of aanpassingen van zaken van zodanige aard dienen te zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de elektrische tandenborstel en de bijbehorende borsteltjes geen kunst- of hulpmiddel, nu er sprake is van een algemeen -ook door gezonde personen- gebezigd gebruiksvoorwerp. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht de door eiseres geclaimde aftrek heeft geweigerd. Kosten tuinonderhoud Eiseres heeft betoogd dat de kosten van het tuinonderhoud als een hulpmiddel dienen te worden gezien, omdat zij zelf niet in staat is om deze werkzaamheden te verrichten. Indien een hulpmiddel een direct verband heeft met ziekte of invaliditeit kunnen de uitgaven ten behoeve van het hulpmiddel kwalificeren als uitgaven wegens ziekte of invaliditeit. Tevens wordt als hulpmiddel aangemerkt een middel dat ertoe strekt om de zieke of invalide in staat te stellen tot het vervullen van een normale lichaamsfunctie waartoe hij anders niet in staat zou zijn. Vereist is dat het middel een bijzondere hoedanigheid bezit die meebrengt dat het alleen wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen, dan wel dat het naar zijn aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie overneemt (vgl. Hoge Raad 25 april 2001, nr. 36 029, BNB 2001/273). Naar het oordeel van de rechtbank kan de dienstverlening voor tuinonderhoud niet kwalificeren als een middel als bedoeld in artikel 6.17 van de Wet IB 2001. Immers, er is geen sprake van een gebruiksvoorwerp dat eiseres in staat stelt tot het vervullen van een normale lichaamsfunctie. Reeds hierom kunnen de kosten voor tuinonderhoud niet tot de buitengewone uitgaven wegens ziekte en invaliditeit van eiseres worden gerekend. De rechtbank oordeelt derhalve dat verweerder terecht deze kostenaftrek niet heeft geaccepteerd. Aftrek wegens chronische ziekte Ingevolge artikel 6.20a van de Wet IB 2001 heeft eiseres slechts recht op aftrek van uitgaven wegens chronische ziekte als zij niet in aanmerking komt voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 6.20 van de Wet IB 2001. Eiseres heeft in haar aangifte IB/PVV 2004 zowel de aftrek voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid als de aftrek voor uitgaven wegens chronische ziekte geclaimd. Op grond van de voormelde wettelijke bepaling is dit niet toegestaan. Eiseres is echter van mening dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel hier toch recht op heeft. Ter onderbouwing heeft ze aangegeven dat verweerder bij de aanslagregeling IB/PVV over 2002 ook een dubbele aftrek heeft toegestaan. Daarnaast zou ook het Hof Arnhem in de beroepsprocedure over de aanslag IB/PVV 2002 met deze dubbele aftrek hebben ingestemd. Het door verweerder (impliciet) ingenomen standpunt over de aftrek van uitgaven wegens chronische ziekte bij de aanslagregeling IB/PVV over 2002 is naar het oordeel van de rechtbank zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat eiseres hieraan geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen. Derhalve kan het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel niet slagen. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de aftrek wegens chronische ziekte heeft gecorrigeerd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het Hof Arnhem, inzake de door eiseres gevoerde procedure tegen de aanslag IB/PVV 2002, geen standpunt heeft ingenomen over de aftrek wegens chronische ziekte. Dit vormde in deze procedure ook geen geschilpunt. Aanschaf lamp bij sta-op-stoel Eiseres heeft betoogd dat de aanschaf van de lamp bij de sta-op-stoel voor haar een voorziening vormt die haar in staat stelt een normale lichaamsfunctie te vervullen. Derhalve heeft ze zich op het standpunt gesteld dat de lamp als een hulpmiddel dient te worden aangemerkt. Een middel kan als hulpmiddel, in de zin van artikel 6.17, tweede lid, van de Wet IB 2001, worden aangemerkt als het de persoon in staat stelt tot het verrichten van normale lichaamsfuncties. In artikel 20a, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 is vermeld dat de zaken of aanpassingen van zaken van zodanige aard dienen te zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de lamp geen kunst- of hulpmiddel, nu er sprake is van een algemeen -ook door gezonde personen- gebezigd gebruiksvoorwerp. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht deze aftrek gecorrigeerd. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. 5. Proceskosten De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 6. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier, op 26 maart 2007. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.