Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0215

Datum uitspraak2007-04-12
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 06/5815
Statusgepubliceerd


Indicatie

Naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting is terecht opgelegd over het hele tijdvak.


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 06/5815 Uitspraakdatum: 12 april 2007 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X], wonende te [Z], eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie, Apeldoorn, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 7 oktober 2005 tot en met 2 augustus 2006 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [00].Y5.90001) motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) opgelegd, ten bedrage van € 705, alsmede bij beschikking een boete van € 705. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 oktober 2006 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 6 november 2006, ontvangen bij de rechtbank op 9 november 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2007 te Arnhem. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde]. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast. Eiser is sinds 7 oktober 2005 houder van het motorrijtuig van het merk Saab (type 900I) met het kenteken [aa-bb-00] (hierna: de auto). Met ingang van 7 oktober 2005 is de auto geschorst, zoals bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994. Op 23 juni 2006 is tijdens een visuele controle geconstateerd dat met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg. Naar aanleiding van deze controle is aan eiser over het tijdvak 7 oktober 2005 tot en met 2 augustus 2006 een naheffingsaanslag MRB opgelegd, ten bedrage van € 705, alsmede bij beschikking een boete van € 705. De naheffingsaanslag en boetebeschikking zijn gedagtekend 28 augustus 2006. Aangezien de schorsing is opgeheven op 27 juni 2006, is de periode waarover wordt nageheven beperkt tot het tijdvak 7 oktober 2005 tot en met 26 juni 2006. 3. Geschil In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag over een juist tijdvak is berekend. Eiser stelt dat de periode waarover wordt nageheven beperkt dient te worden tot het tijdvak 10 mei 2006 tot en met 26 juni 2006. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag tot een juist bedrag aan eiser is opgelegd. Tevens is in geschil of de boetebeschikking tot het juiste bedrag is opgelegd. 4. Beoordeling van het geschil Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet), voor zover hier van belang, wordt een belasting geheven ter zake van het houden van een personenauto. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet, voor zover hier van belang, wordt voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven de belasting niet geheven over tijdvakken die aanvangen tijdens een voor dat motorvoertuig geldende schorsing. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet, kan de belasting worden nageheven bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing. Het tweede lid van het voornoemde artikel bepaalt dat de na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van de vier tijdvakken niet op naam heeft gestaan van degene die het motorrijtuig houdt, wordt ingevolge artikel 35, derde lid, van de Wet over dat gedeelte de belasting niet nageheven. Niet in geschil is dat eiser op 23 juni 2006, en derhalve tijdens de voor de auto geldende schorsing, gebruik heeft gemaakt van de openbare weg. Volgens eiser dient echter de periode waarover wordt nageheven beperkt te worden tot het tijdvak 10 mei 2006 tot en met 26 juni 2006. Hij heeft hiervoor aangevoerd dat hij de auto vanwege een defecte versnellingsbak niet eerder heeft kunnen gebruiken. De auto is vlak na de reparatie op 9 mei 2006 APK gekeurd. Eiser heeft verklaard dat hij pas vanaf de ingangsdatum van de verzekering, zijnde 10 mei 2006, de auto is gaan gebruiken. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft eiser ondermeer het keuringsrapport en de verzekeringspolis van de auto overgelegd. De rechtbank stelt voorop dat verweerder de naheffingsaanslag overeenkomstig artikel 35, eerste lid, juncto het tweede lid, van de Wet heeft opgelegd. Gezien het feit dat de auto gedurende de tijdvakken van de naheffingsaanslag op naam heeft gestaan van eiser, heeft verweerder terecht geen vermindering op basis van het derde lid van artikel 35 van de Wet toegepast. De Wet biedt geen andere mogelijkheden die tot een vermindering van de opgelegde naheffingsaanslag zouden kunnen leiden. Eisers stelling dat er vanwege het beperkte gebruik met de auto een vermindering van de naheffingsaanslag dient plaats te vinden, vindt geen steun in het recht. Derhalve dient het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond te worden verklaard. Ten aanzien van de door verweerder opgelegde verzuimboete van 100% van het bedrag van de naheffingsaanslag overweegt de rechtbank als volgt. Het beboeten van verzuimen vormt een discretionaire bevoegdheid van de inspecteur. Vaststaat dat verweerder hiertoe in dit geval op grond van het bepaalde in artikel 67c AWR juncto artikel 37 van de Wet bevoegd was. Voor het uitoefenen van die bevoegdheid zijn in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (het Besluit) beleidsregels gegeven. Op grond van paragraaf 34 van het Besluit kan in het onderhavige geval een boete van maximaal 100% worden opgelegd. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen tot een matiging van de boete leiden. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij de opgelegde boete niet in verhouding vindt staan tot de overtreding. Naar zijn mening heeft verweerder bij het bepalen van de hoogte van de boete ten onrechte geen rekening gehouden met het feitelijke weggebruik van de auto. Ook de omstandigheid dat er, als gevolg van de aanwezige gasinstallatie in de auto, een hoge naheffingsaanslag is opgelegd, leidt volgens eiser tot een onevenredig hoog boetebedrag. Voorts heeft eiser benadrukt dat er in zijn geval geen opzet of recidive speelt. De rechtbank overweegt dat de door eiser aangevoerde omstandigheid, dat de grondslag van de boete te hoog is als gevolg van de in de auto aanwezige gasinstallatie, dient te leiden tot een matiging van de boete. In de overige door eiser aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor matiging. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eiser bekend was met de regeling en dat de hoogte van het boetebedrag niet afhankelijk is van de vraag of er sprake is van opzet of recidive. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een boete van 50%, oftewel € 352, passend en geboden. Het beroep inzake de boete is derhalve gegrond. 5. Proceskosten De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, omdat de rechtbank niet gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. 6. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag ongegrond; - verklaart het beroep inzake de boete gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de boete; - vermindert de boete tot een bedrag van € 352 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.C.G.J. van Well, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier, op 12 april 2007. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.