Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0125

Datum uitspraak2009-03-31
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Dordrecht
Zaaknummers224772 HA VERZ 08-370
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Verzoek tot goedkeuring afwijkend huurbeding. Beding dat huurovereenkomst zal eindigen op het moment dat de franchiseovereenkomst zal eindigen. Omdat huurder zich bij het sluiten van de overeenkomst juridisch heeft laten informeren en zich kan vinden in de afwijkende bedingen, verleent de kantonrechter goedkeuring.


Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT Sector kanton Locatie Dordrecht kenmerk: 224772 HA VERZ 08-370 beschikking van de kantonrechter te Dordrecht van 31 maart 2009 inzake het gezamenlijk verzoek strekkende tot goedkeuring van afwijkende huurbedingen van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Verhage Franchise B.V., gevestigd te Barendrecht, gemachtigde: E.P. Verhage, en: [naam partij2], wonende te [adres] die zelf procedeert. Partijen worden hierna aangeduid met Verhage en [partij2]. Verloop van de procedure De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken: 1. het verzoekschrift dat ter griffie is binnengekomen op 20 november 2008; 2. de aantekeningen van de griffier van de gehouden zitting; 3. de overgelegde producties. De behandeling van het verzoekschrift is bepaald op 10 maart 2008. Partijen zijn verschenen en hebben gepersisteerd bij het in het verzoekschrift gestelde en hebben het verzoek nog mondeling nader toegelicht. Verzoek en de beoordeling daarvan Partijen hebben met ingang van 22 februari 2001 een onderhuurovereenkomst gesloten betreffende de winkelruimte aan het adres [adres], welk pand bedrijfsruimte is in de zin van art. 7:290 BW. De onderhuurovereenkomst is accessoir aan de tussen partijen gesloten franchiseovereenkomst van 22 februari 2001 waarin afwijkende huurbedingen zijn opgenomen. Voor deze afwijkende bedingen verzoeken partijen (achteraf) de goedkeuring van de kantonrechter. De reden dat van de wettelijke bepalingen wordt afgeweken, hangt samen met de tussen partijen gesloten franchiseovereenkomst waarbij [naam partij2] het recht van franchise heeft om een fastfoodbedrijf te exploiteren. Omdat de duur van de huurovereenkomst afhankelijk is gesteld van de duur van de franchiseovereenkomst verzoeken partijen goedkeuring van het beding dat de huurovereenkomst zal eindigen op het moment dat de franchiseovereenkomst zal eindigen. Daarnaast verzoeken partijen goedkeuring van het beding dat de onderhuurovereenkomst onder dezelfde voorwaarden en bepalingen wordt aangegaan als de hoofdhuurovereenkomst en het beding over overname van de huurovereenkomst aan de franchisegever aan te bieden. Partijen hebben, gelet op bovenstaande, in de tussen hen gesloten franchiseovereenkomst de volgende huurbedingen opgenomen: “(…) 25.1 Partijen verbinden zich met ingang van de aanvangsdatum een overeenkomst van (onder)huur aan te gaan met betrekking tot voormelde bedrijfsruimte onder dezelfde voorwaarden en bepalingen door franchisegever met de hoofdverhuurder zijn overeengekomen. 25.2 Partijen stellen vast dat deze huurovereenkomst onlosmakelijk verbonden is met de hoedanigheid van huurder als franchisenemer van het franchisebedrijf. Franchisegever en franchisenemer stellen hierbij tevens vast dat franchisegever uitsluitend bereid is de hiervoor bedoelde bedrijfsruimte aan franchisenemer te verhuren voor zolang als deze gerechtigd is op de treden als franchisenemer van het netwerk van Verhage Fast Food franchise-ondernemingen, zulks gezien het belang van het behoud van deze vestigingsplaats voor het netwerk. Ingeval van beëindiging van de franchise-overeenkomst, op welke grond ook, zal daarom tevens de huurovereenkomst per dezelfde datum een einde nemen, zonder dat daarvoor een separate opzegging is vereist. Franchisenemer machtigt hierbij franchisegever onherroepelijk om mede namens hem een verzoekschrift als bedoeld in artikel 1629 lid 2 boek 7A van het Burgerlijk Wetboek in te dienen bij de bevoegde Kantonrechter, waarin om toestemming wordt verzocht voor de in de vorige alinea neergelegde afspraak, welke afwijkt van de dwingendrechtelijke regels van de artikel 1624 en verder boek 7A van het Burgerlijk Wetboek terzake van opzegging en beëindiging. Indien deze toestemming onverhoopt mocht worden geweigerd is franchisenemer gehouden alle medewerking te verlenen aan franchisegever om alsnog te komen tot het in dit artikel beoogde doel. 25.3 Aan het einde van de franchise-overeenkomst of bij opheffing van zijn onderneming, om welke reden dan ook, verbindt de franchisenemer zich ertoe zonder kosten de overname van zijn huurovereenkomst aan de franchisegever aan te bieden, die de mogelijkheid heeft om overname van de lopende huurovereenkomst te aanvaarden of te weigeren. Ingeval de franchisegever de lopende huurovereenkomst aanvaardt, zal de franchisenemer al het mogelijke doen om tot in de plaatsstelling van de franchisegever als huurder te geraken. De mogelijk daaraan verbonden (externe) kosten komen ten laste van de franchisegever. (…)” De kantonrechter stelt voorop dat door deze bedingen, de rechten van [partij2] wezenlijk worden aangetast, met name door art. 25.2 waardoor er geen sprake is van rechterlijke toetsing op basis van art. 7:296 BW. Voorts is de maatschappelijke positie van [partij2] in vergelijking met die van Verhage niet zodanig dat [partij2] geen bescherming behoeft van de wettelijke bepalingen ten aanzien van huur. Ter zitting is echter gebleken dat [partij2] zich destijds bij het sluiten van de franchiseovereenkomst - waarin de afwijkende bedingen zijn opgenomen - ter dege juridisch heeft laten informeren. Op basis daarvan heeft [partij2] de risico’s afgewogen en heeft hij zich in de overeenkomst kunnen vinden. In de franchiseovereenkomst zijn ten aanzien van de beëindiging daarvan geen bepalingen opgenomen die de kantonrechter onredelijk voorkomen. De van toepassing verklaarde bepalingen uit de hoofdhuurovereenkomst komen de kantonrechter evenmin onredelijk voor. Ter zitting heeft [partij2] nog verklaard dat hij in de franchiseformule van Verhage gelooft en dat er voor wat betreft een gedane investering in apparatuur in het gehuurde een terugkoopregeling met Verhage is overeengekomen. Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter een bescherming van de huurder niet noodzakelijk. Gelet op art. 7:291 juncto art. 7:292 BW keurt de kantonrechter voornoemde bedingen goed. Beslissing De kantonrechter: keurt voorgestelde bedingen goed. Deze beslissing is gegeven door mr. B.C. Vink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2009, in aanwezigheid van de griffier.