Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0096

Datum uitspraak2009-03-17
Datum gepubliceerd2009-04-07
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/5215 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schending inlichtingenverplichting door onvoldoende inlichtingen te verstrekken over bankrekeningen. Onrechtmatigheid van het huisbezoek behoeft geen bespreking behoeft, aangezien het College reeds uit de ontvangen informatie van de belastingdienst was gebleken dat appellante een bankrekening en vermogen had verzwegen. Wat betreft gestelde schade als gevolg van het vernietigde besluit op bezwaar, kan appellante het College verzoeken om daaromtrent een zuiver schadebesluit te nemen. Voor zover de gestelde schade geen verband houdt met een onrechtmatig besluit, maar een gevolg is van feitelijk handelen, bijvoorbeeld door medewerkers van de gemeente Amsterdam tijdens het huisbezoek kan appellante zich wenden tot de civiele rechter.


Uitspraak

07/5215 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2007, 07/2418 en 07/2419 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College). Datum uitspraak: 17 maart 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.P. Kuijper, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 2 oktober 2007, 07/5219, waarbij het verzoek van appellante om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgewezen. 1.2. Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 september 2005, waarbij de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2005 is ingetrokken, opnieuw ongegrond verklaard. Aan het besluit van 12 juni 2007 heeft het College niet langer ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding zou voeren, maar dat zij de op haar rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het gestelde niet-tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 12 juni 2007 ongegrond verklaard en de verzoeken van appellante om veroordeling tot schadevergoeding en om een voorlopige voorziening afgewezen. 3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de voorzieningenrechter van de rechtbank daarbij het beroep tegen het besluit van 12 juni 2007 ongegrond heeft verklaard en het verzoek om het College te veroordelen tot schadevergoeding heeft afgewezen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Appellante ontvangt vanaf 30 juli 1986 bijstand naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk op basis van de Wet werk en bijstand (WWB). 4.2. In verband met een onderzoek in 2005 naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand heeft het College informatie ingewonnen bij de belastingdienst en op basis van de ontvangen informatie vastgesteld dat appellante sinds jaren niet alleen beschikt over een rekening bij de Postbank, maar ook over een rekening bij de Rabobank waarvan zij geen opgave heeft gedaan. Appellante heeft tijdens een huisbezoek op 1 september 2005 erkend dat zij deze rekening heeft verzwegen, verklaard dat het saldo van deze rekening op 6 januari 2005 € 4.350,36 bedroeg en gesteld dat zij dit bedrag heeft gespaard door zuinig te leven. Ter voorbereiding van een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 september 2005 heeft het College appellante bij brief van 10 mei 2007 verzocht om afschriften van haar bankrekeningen, een verklaring van alle significante opnames en stortingen op die rekeningen alsmede aantoonbare gegevens over aangegane schulden. Appellante heeft geweigerd aan dit verzoek gehoor te geven. Bij het besluit van 12 juni 2007 heeft het College het besluit van 8 september 2005 gehandhaafd, thans op de grond dat appellante de inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden door onvoldoende inlichtingen te verstrekken over haar bankrekeningen en dat zij onvoldoende medewerking verleent om het recht op bijstand per 1 september 2005 vast te stellen. De voorzieningenrechter van de Raad heeft in de uitspraak van 2 oktober 2007 overwogen dat niet met voldoende zekerheid is vast te stellen of appellante ten tijde van belang nog recht had op bijstand, aangezien zij tot dan toe heeft geweigerd om de bij brief van 10 mei 2007 gevraagde nadere verklaringen en bewijsstukken met betrekking tot haar vermogen te verstrekken. De Raad onderschrijft die overweging en stelt vast dat appellante ook nadien de gevraagde verklaringen en bewijsstukken niet heeft verstrekt. Voorts onderschrijft de Raad de overweging dat de door appellante gestelde onrechtmatigheid van het huisbezoek van 1 september 2005 geen bespreking behoeft, aangezien het College reeds uit de ontvangen informatie van de belastingdienst was gebleken dat appellante een bankrekening en vermogen had verzwegen. Tijdens het huisbezoek zijn daaromtrent geen wezenlijk nieuwe gegevens aan het licht gekomen. De Raad is derhalve van oordeel dat de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 12 juni 2007 terecht ongegrond heeft verklaard. 4.3. Artikel 8:73, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon kan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, gelet op de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 12 juni 2007, het verzoek van appellante om het College te veroordelen tot vergoeding van geleden schade afgewezen. Nu deze ongegrondverklaring in rechte stand houdt, acht de Raad dit een juiste beslissing. De Raad stelt vast dat, anders dan appellante meent, het College in de onderhavige procedure niet op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de door haar gestelde schade als gevolg van het besluit op bezwaar van 23 februari 2006, dat door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 17 april 2007 is vernietigd. De Raad merkt op dat appellante het College kan verzoeken om daaromtrent een zuiver schadebesluit te nemen. Voor zover de gestelde schade geen verband houdt met een onrechtmatig besluit, maar een gevolg is van feitelijk handelen, bijvoorbeeld door medewerkers van de gemeente Amsterdam tijdens het huisbezoek aan appellante op 1 september 2005, kan appellante zich wenden tot de civiele rechter. 4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. 4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2009.