Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0095

Datum uitspraak2009-01-13
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersHD 200.009.192
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beheer beperkte gemeenschap, art. 3:170 Bw, boete.


Uitspraak

zaaknr. HD 200.009.192 ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, vierde kamer, van 13 januari 2009, gewezen in de zaak van: [X.], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeentenaam], appellant bij exploot van dagvaarding van 30 juni 2008, advocaat: mr. B.Th.H. Boomsma, tegen: [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde bij gemeld exploot, advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven, op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht gewezen vonnis in kort geding van 5 juni 2008 tussen appellant – [X.] - als gedaagde en geïntimeerde – [Y.] - als eiseres. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 128979/KG ZA 08-171) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] onder overlegging van een productie drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vordering van [Y.] met veroordeling van [Y.] in de kosten van beide instanties. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] onder overlegging van drie producties de grieven bestreden. 2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de precieze inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 4.1.2. [Y.] is gehuwd geweest met [Z.] (verder: [Z.]). 4.1.3. [Y.] en [Z.] hebben op 28 december 2007 met [X.] een schriftelijke koopovereenkomst gesloten waarbij [Y.] en [Z.] aan [X.] verkochten hun voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] (verder: het woonhuis) voor EUR 120.000,-- k.k. Als datum van levering werd afgesproken 1 februari 2008 of zoveel eerder of later als partijen overeen zouden komen. 4.1.4. In art. 12 lid 1 en 4 van de koopovereenkomst is bepaald dat als een partij na ingebrekestelling nalatig is om aan een verplichting uit de koopovereenkomst te voldoen, en de wederpartij nakoming verlangt, de nalatige partij na acht dagen een onmiddellijk opeisbare boete verbeurt van 3 promille van de koopsom per dag tot aan de nakoming. 4.1.5. [Y.] heeft [X.] per aangetekende brief in gebreke gesteld op 30 januari 2008, aangezien – zoals zij schrijft – “de datum van aktepassering van 1 februari a.s. voor U blijkbaar niet haalbaar schijnt te zijn. Uw hypotheekstukken zijn nl. nog steeds niet bij de notaris binnengekomen”. 4.1.6. [Y.] heeft [X.] brieven met nota’s voor de overeengekomen boete gestuurd op tenminste de volgende data: 17 en 24 februari 2008, 3, 9, 16 en 24 maart 2008, en 2 en 13 april 2008. 4.2. [Y.] heeft [X.] bij exploot van 8 mei 2008 gedagvaard en veroordeling van [X.] gevorderd: 1. tot betaling van boetes ten belope van EUR 23.040,-- (t/m 13 april 2008) en van EUR 360,-- per dag vanaf 14 april 2008 zolang [X.] in gebreke blijft medewerking te verlenen aan de levering van het woonhuis, bij wijze van voorschot, 2. tot medewerking uiterlijk twee dagen na betekening van het vonnis aan de overdracht van het woonhuis, 3. tot betaling van een dwangsom van EUR 1.000,-- per dag dat [X.] niet aan het gevorderde sub 2 voldoet, 4. tot betaling van de kosten van het geding. 4.2.1. Na door [X.] (in persoon) gevoerd verweer heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 5 juni 2008 als volgt geoordeeld. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak. [X.] heeft gesteld dat hij er nog niet in is geslaagd een passende financiering voor de woning te verkrijgen. Dat is echter een omstandigheid die geheel voor zijn rekening moet blijven. Nu [X.] de vordering verder niet heeft weersproken zal deze – met een termijn voor nakoming van zeven in plaats van twee dagen, en met maximering van de dwangsom – worden toegewezen. 4.2.2. Aldus is [X.] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van EUR 23.040,-- en tot betaling van EUR 360,-- per dag dat [X.] vanaf 14 april 2008 in gebreke is medewerking te verlenen aan de levering aan de woning. Verder is hij veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis medewerking te verlenen aan overdracht van de woning op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,-- per dag met een maximum van EUR 10.000,--. Tenslotte is [X.] veroordeeld in de proceskosten. 4.3.1. [X.] heeft met zijn eerste grief aangevoerd dat hij het registergoed heeft gekocht van [Y.] en [Z.] en dat zij derhalve één ondeelbaar vorderingsrecht hebben zodat [Y.] samen met [Z.] de vordering tot nakoming tegen [X.] had dienen in te stellen. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Geen van partijen heeft gesteld of [Y.] en [Z.] in gemeenschap van goederen waren getrouwd of dat (anderszins) tussen hen ten aanzien van de woning een (beperkte) gemeenschap bestond. Nu [Y.] zich echter ten verwere heeft beroepen op art. 3:170 BW, dat het beheer van een (beperkte) gemeenschap regelt, gaat het hof uit van de veronderstelling dat ten aanzien van de woning inderdaad een (beperkte) gemeenschap bestond. [Y.] heeft zich naar het oordeel van het hof terecht op het genoemde artikel beroepen, nu het voeren van een kort geding om afname van de woning door [X.] af te dwingen beschouwd kan worden als een handeling die geen uitstel kan lijden en die ieder der deelgenoten zelfstandig kan verrichten. De voorzieningenrechter heeft [Y.] derhalve terecht in haar vordering ontvangen. 4.3.2. In de toelichting op deze grief voert [X.] voorts aan dat hij met [Z.] nadere afspraken heeft gemaakt over de juiste nakoming. Toen [X.] problemen ondervond met de hypotheekverstrekking is de termijn van nakoming verschoven, althans zouden er geen rechtsgevolgen volgen voor het niet-tijdige nakomen, aldus [X.]. Hij verwijst daarbij naar een door hem overgelegde brief van [Z.] aan hem van 19 juni 2008, waarin [Z.] aan [X.] – kort gezegd – bevestigt dat de hypotheekovereenkomst is getekend en is teruggestuurd naar de bank, dat er verder geen belemmeringen meer zijn voor afname van het pand, en dat de bank heeft toegezegd zo spoedig mogelijk contact op te nemen met de notaris. [Z.] schrijft tenslotte dat uit het gegeven dat zijn naam niet wordt genoemd in de kort gedingdagvaarding, duidelijk blijkt welke zijn positie is in die procedure. [Y.] heeft het bestaan van de door [X.] genoemde afspraken betwist. Uit de brief van 19 juni 2008 kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat [X.] met [Z.] zou hebben afgesproken dat de termijn van nakoming zonder rechtsgevolgen is verschoven, zoals [X.] stelt. Daarover staat immers niets in die brief vermeld. [X.] heeft zijn stelling dus onvoldoende onderbouwd en voor nadere bewijsvoering is in kort geding geen plaats. Het verweer van [X.] moet mitsdien worden verworpen. 4.3.3. De eerste grief faalt derhalve. 4.4.1. In de tweede grief maakt [X.] bezwaar tegen de overweging van de rechtbank dat de omstandigheid dat [X.] er niet in is geslaagd een passende financiering voor de woning te verkrijgen geheel voor zijn rekening moet blijven, en dat [X.] de vordering van [Y.] voor het overige niet heeft weersproken zodat de vordering van [Y.] voor toewijzing gereed ligt. Ter toelichting op zijn grief beroept [X.] zich ook hier op nadere afspraken die hij met [Y.] en/of [Z.] zou hebben gemaakt en die zouden inhouden dat toen de financiering niet lukte bij de geopteerde maatschappij, [X.] in de gelegenheid werd gesteld naar een andere financier te zoeken, hetgeen uiteindelijk is gelukt. [Y.] heeft betwist dat er sprake is van nadere afspraken tussen koper en verkopers die afwijken van de schriftelijke koopovereenkomst. [X.] heeft volgens [Y.] om onbekende reden onnodig veel tijd laten verstrijken voor zijn financieringsaanvraag. 4.4.2. Ook deze grief van [X.] moet worden verworpen. [X.] stelt niet, en dat blijkt ook nergens uit, dat hij met [Y.] en/of [Z.] heeft afgesproken dat hij gedurende de tijd die hij extra nodig had om een andere financier te zoeken, geen boete of dwangsom zou verbeuren. Dat blijkt in het bijzonder niet uit de brief van [Z.] van 19 juni 2008, waarnaar [X.] in dit verband opnieuw verwijst. Voor bewijsvoering ziet het hof in dit kort geding geen aanleiding. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat [X.] er niet in slaagde om (tijdig) een passende financiering te krijgen, geheel voor zijn rekening moet blijven. 4.5. Nu de grieven I en II falen, faalt ook grief III, waarin [X.] aanvoert dat de rechtbank de vorderingen van [Y.] ten onrechte heeft toegewezen. 4.6. Het vonnis, waarvan beroep, zal mitsdien worden bekrachtigd. [X.] zal ook in hoger beroep als de in het ongestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. 5. De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep; veroordeelt [X.] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [Y.] gevallen en begroot op EUR 690,-- voor verschotten en EUR 1.158,-- voor salaris advocaat, beide bedragen op de voet van art. 243 lid 1 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof. Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, De Groot-van Dijken en Huijbers-Koopman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 januari 2009.