
Jurisprudentie
BI0092
Datum uitspraak2009-04-01
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6742 WIA
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6742 WIA
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geen nadere gegevens in geding gebracht die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat appellant zwaarder of meer beperkt zou zijn dan door de (bezwaar)verzekeringsartsen is aangenomen. Eerst in hoger beroep een arbeidskundige toelichting gegeven die voldoet aan de eisen van helderheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid. Instandlating rechtsgevolgen.
Uitspraak
07/6742 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 oktober 2007, 06/6775 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft bij brief van 9 januari 2009 door middel van inzending van het rapport van 8 januari 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige R.H. Boel, vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Karkache. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door S.N. Westmaas.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, voorheen werkzaam als productiemedewerker, heeft zich met ingang van
22 januari 2004 ziek gemeld in verband met rugklachten. Appellant is onderzocht door een verzekeringsarts, die in haar rapport van 17 januari 2006 heeft geconstateerd dat appellant niet meer geschikt is voor de werkzaamheden van productiemedewerker, maar dat er bij hem nog wel benutbare arbeidsmogelijkheden aanwezig zijn. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens blijkens zijn rapport van 23 januari 2006 een aantal voor appellant geschikte functies geselecteerd. Het Uwv heeft op grond van deze rapporten vastgesteld dat appellant in staat is te achten om 65% of meer te verdienen van zijn maatmaninkomen en heeft bij besluit van 23 januari 2006 toekenning van uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) na afloop van de wettelijke wachttijd per 19 januari 2006 geweigerd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en rapporten van zijn huisarts en behandelend revalidatiearts N.H. Dekkers overgelegd. Na rapportering door de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe en de bezwaararbeidsdeskundige R.H. Boel voornoemd heeft het Uwv bij besluit van 7 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder meer gesteld dat het Uwv met het nemen van een besluit op bezwaar ten onrechte niet heeft gewacht tot de informatie van de behandelend neuroloog dr. I.S.J. Merkies van appellant voorhanden was en tevens dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat.
3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv niet onzorgvuldig heeft gehandeld door het besluit op bezwaar te nemen gelet op de op dat moment reeds beschikbare medische informatie. Ook is het Uwv volgens de rechtbank uitgegaan van een juiste inschatting van de rugklachten van appellant; het in beroep overgelegde rapport van 6 september 2006 van de neuroloog Merkies doet daar niet aan af. Van de zijde van appellant is geen verdere onderbouwing van de gestelde zwaardere beperkingen gegeven. Naast de medische grondslag is ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit door de rechtbank onderschreven: er is afdoende toegelicht waarom er geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid van appellant bij het uitoefenen van de geduide functies. Ook zijn deze functies qua opleidingsniveau toegankelijk voor appellant, nu het Uwv diens opleidingsniveau met recht op niveau 2 heeft gesteld.
4. Namens appellant zijn in hoger beroep de eerder aangevoerde grieven herhaald. Tevens is erop gewezen dat enkele functies te veel van appellant eisen onder andere op de items zitten, staan en frequent reiken en buigen, terwijl er onvoldoende mogelijkheid zou zijn om zitten en staan af te wisselen.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Er zijn in hoger beroep geen nadere gegevens in geding gebracht die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat appellant zwaarder of meer beperkt zou zijn dan door de (bezwaar)verzekeringsartsen is aangenomen. Ook de neuroloog Merkies vermeldt in zijn eerder genoemd rapport geen neurologische afwijkingen en vermeldt dat MRI-onderzoek geen aanwijzing opleverde voor een evidente wortelbeknelling.
5.3.1. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast, dat appellant blijkens het arbeidskundig rapport van 23 januari 2006 een basisopleiding heeft gevolgd plus een aanvullende cursus (ICV installatietechniek) en dat hij, onweersproken, verschillende functies op VMBO- niveau heeft uitgeoefend.
5.3.2. De Raad stelt vervolgens vast, dat blijkens het resultaat functiebeoordeling er bij een aantal geselecteerde functie signaleringen voorkomen. De Raad is van oordeel dat in het eerder vermelde arbeidskundig rapport van 8 januari 2009, gelezen in samenhang met het arbeidskundig rapport van 30 juni 2006, in voldoende mate is toegelicht dat deze signaleringen niet meebrengen, dat de belastbaarheid van appellant bij het uitoefenen van de geselecteerde functies wordt overschreden.
5.3.3. Nu echter een arbeidskundige toelichting die wat betreft helderheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid voldoet aan de in de rechtspraak van de Raad ontwikkelde eisen, eerst in hoger beroep voorhanden is, dient het beroep, volgens vaste rechtspraak van de Raad, gegrond te worden verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak waarbij het beroep ongegrond is verklaard, komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat er evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.
5.4. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant wegens verleende rechtsbijstand, te begroten op € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep, in totaal € 1288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant, te begroten op in totaal € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht, ten bedrage van in totaal € 144,-. (€ 38,- in beroep en € 106,- in hoger beroep) aan appellant vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en
J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 april 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E.M. de Bree.
TM