
Jurisprudentie
BI0074
Datum uitspraak2009-04-01
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200804814/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200804814/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd / taalanalyse / kritische kanttekeningen niet voldoende
Uit het rapport van de taalanalyse, als weergegeven in rechtsoverweging 2.1.5., blijkt dat de taalanalist zich voor zijn conclusie dat de vreemdeling eenduidig niet tot een Nuba-bevolkingsgroep hoort en dat het niet aannemelijk is dat hij afkomstig is uit de plaats Abu Jibeha voornamelijk heeft gebaseerd op de onjuiste informatie die de vreemdeling over zijn afkomst en herkomst heeft verstrekt. Hetgeen de taalanalist daarover opmerkt, kan die conclusie dragen zodat het rapport op inzichtelijke wijze is opgesteld. De kritische kanttekeningen die de vreemdeling bij dit rapport heeft geplaatst en die hebben geleid tot de overweging van de rechtbank, als weergegeven in rechtsoverweging 2.1.6., leiden niet tot het oordeel dat de minister niet heeft mogen uitgaan van de juistheid en volledigheid van het rapport. Daartoe is van belang dat de minister zich in het besluit van 2 november 2006 terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling weliswaar heeft verklaard dat zijn vader behoort tot de Nuba uit Darfur, maar dat hem, de minister, bekend is dat Nuba niet afkomstig zijn uit Darfur en voorts dat de vreemdeling wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de ligging, in dan wel buiten Nuba-gebied, van zijn gestelde woonplaats Abu Jibeha.
Uit het rapport van de taalanalyse, als weergegeven in rechtsoverweging 2.1.5., blijkt dat de taalanalist zich voor zijn conclusie dat de vreemdeling eenduidig niet tot een Nuba-bevolkingsgroep hoort en dat het niet aannemelijk is dat hij afkomstig is uit de plaats Abu Jibeha voornamelijk heeft gebaseerd op de onjuiste informatie die de vreemdeling over zijn afkomst en herkomst heeft verstrekt. Hetgeen de taalanalist daarover opmerkt, kan die conclusie dragen zodat het rapport op inzichtelijke wijze is opgesteld. De kritische kanttekeningen die de vreemdeling bij dit rapport heeft geplaatst en die hebben geleid tot de overweging van de rechtbank, als weergegeven in rechtsoverweging 2.1.6., leiden niet tot het oordeel dat de minister niet heeft mogen uitgaan van de juistheid en volledigheid van het rapport. Daartoe is van belang dat de minister zich in het besluit van 2 november 2006 terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling weliswaar heeft verklaard dat zijn vader behoort tot de Nuba uit Darfur, maar dat hem, de minister, bekend is dat Nuba niet afkomstig zijn uit Darfur en voorts dat de vreemdeling wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de ligging, in dan wel buiten Nuba-gebied, van zijn gestelde woonplaats Abu Jibeha.
Uitspraak
200804814/1.
Datum uitspraak: 1 april 2009
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 20 mei 2008 in zaak nr. 06/57710 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) de aan [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 20 mei 2008, verzonden op 27 mei 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 juni 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 1, 2 en 3, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de staatssecretaris dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij intrekking van een aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd de bewijslast met betrekking tot het verstrekken van onjuiste gegevens geheel bij de staatssecretaris ligt en dat hij onomstotelijk moet aantonen dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris niet onderkend dat het op zijn weg ligt aannemelijk te maken dat de gehanteerde intrekkingsgrond zich voordoet, maar dat het, indien hij aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, vervolgens aan de vreemdeling is het door hem geleverde bewijs te weerleggen. Door het laten uitvoeren van de taalanalyse, die volgens vaste jurisprudentie een geëigend instrument voor herkomstbepaling is, heeft hij aan deze bewijslast voldaan en heeft de vreemdeling met enkel het plaatsen van kritische kanttekeningen bij die taalanalyse het geleverde bewijs niet weerlegd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de taalanalyse geen geschikt middel is om aan te tonen dat de vreemdeling niet van Nubische etniciteit is. Voorts heeft de rechtbank met haar overweging dat het rapport van taalanalyse niet in tegenspraak is met hetgeen de vreemdeling eerder tijdens het nader gehoor ten behoeve van zijn verzoek om toelating als vluchteling omtrent zijn afkomst en etniciteit heeft verklaard niet onderkend dat in het besluit van 2 november 2006 afdoende is gemotiveerd dat en waarom afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling omtrent zijn gestelde etniciteit, aldus de staatssecretaris.
2.1.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000, worden ingetrokken, indien de desbetreffende vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning zouden hebben geleid.
2.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 16 december 2004 in zaak nr. 200406434/1 (www.raadvanstate.nl) ligt het, indien sprake is van intrekking van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, op de weg van de minister aannemelijk te maken dat zich de daarin vermelde intrekkingsgrond voordoet. Als door de minister aan deze bewijslast is voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door de minister geleverde bewijs te weerleggen.
2.1.3. Anders dan bij een besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, waar de minister door het laten uitvoeren van een taalanalyse de desbetreffende vreemdeling tegemoet komt in de voldoening van de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, in het geval twijfel is gerezen aan de gestelde identiteit en nationaliteit, waaronder in voorkomende gevallen begrepen de stamafkomst of plaats van herkomst, dient het laten uitvoeren van een taalanalyse in het geval die twijfel is gerezen bij een besluit waarbij een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt ingetrokken als bewijsmiddel van de op de minister rustende last om aannemelijk te maken dat zich de in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vermelde grond voordoet.
2.1.4. Het rapport van de taalanalyse kan worden aangemerkt als een advies van een deskundige. Indien het rapport op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag de minister bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel uitgaan van de conclusies van het rapport, tenzij sprake is van concrete aanknopingspunten om aan de juistheid en volledigheid ervan te twijfelen.
2.1.5. De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag onder meer ten grondslag gelegd dat hij afkomstig is uit Soedan, dat zijn etnische afkomst Nuba is en dat hij in Abu Jibeha is geboren. Blijkens de motivering van het voornemen tot intrekking van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft dossieranalyse in het kader van een herkomstonderzoek door Bureau Land en Taal reeds tot de conclusie geleid dat de vreemdeling mogelijk niet de juiste herkomst en/of etniciteit heeft opgegeven. Om deze voorlopige conclusie te staven heeft de minister een taalanalyse laten uitvoeren.
In het rapport van 15 maart 2006 heeft de taalanalist aan de hand van de verrichte taalanalyse geconcludeerd dat op grond van zijn Arabische spraak de vreemdeling eenduidig is te herleiden tot de regio Khartoum, Soedan maar dat hij eenduidig niet tot een Nuba-bevolkingsgroep hoort en dat het niet aannemelijk is dat hij afkomstig is uit de plaats Abu Jibeha. Aan die conclusie ligt onder meer ten grondslag zijn bevinding dat de vreemdeling niet in staat is om uitgebreide en gedetailleerde informatie te verstrekken omtrent zijn beweerde herkomstgebied en zijn beweerde etnische achtergrond. Volgens de taalanalist ligt de plaats Abu Jibeha niet in West-Kordofan (buiten het Nuba-gebied), zoals de vreemdeling stelt, maar in Zuid-Kordofan (in het Nuba-gebied) en ligt het Nuba-gebied, anders dan de vreemdeling blijkbaar meent, niet in Darfur. Voorts is zeer opvallend dat de vreemdeling niet kan zeggen tot welke Nuba-bevolkingsgroep hij zou behoren. De zeer beperkte informatie die hij verstrekt over de gebruiken van de Nuba zijn algemeen bekend of onjuist en zijn informatie over de "Nubische taal" is onjuist, aldus de taalanalist.
Bovenvermeld rapport heeft de minister aan zijn besluit van 2 november 2006 ten grondslag gelegd.
2.1.6. De rechtbank heeft overwogen dat in het rapport van de taalanalyse staat dat de vreemdeling niet tot de Nuba-bevolkingsgroep behoort omdat hij de Nuba-taal niet kent en vloeiend Arabisch spreekt. Dit is volgens haar niet in tegenspraak met hetgeen de vreemdeling eerder tijdens het nader gehoor ten behoeve van zijn verzoek om toelating als vluchteling omtrent zijn afkomst en etniciteit heeft verklaard. Dat de vreemdeling uit Soedan komt is nimmer door de minister betwist. De vreemdeling heeft voorts nooit anders verklaard dan Nuba te zijn op grond van zijn vaders afkomst en dat hij is geboren in Abu Jibeha. Verder heeft de vreemdeling immer verklaard, hetgeen ook door de minister niet bestreden wordt, in 1990 op 10-jarige leeftijd met het hele gezin te zijn verhuisd naar Khartoum. Dit vindt tevens zijn bevestiging in het rapport van de taalanalyse aangezien de vreemdeling volgens de taalanalist op grond van zijn Arabische spraak eenduidig is te herleiden to de regio Khartoum. Dat de taalanalist het niet aannemelijk acht dat de vreemdeling afkomstig is uit de plaats Abu Jibeha betekent nog niet dat hij daar niet geboren kan zijn, aldus de rechtbank.
2.1.7. Uit het rapport van de taalanalyse, als weergegeven in rechtsoverweging 2.1.5., blijkt dat de taalanalist zich voor zijn conclusie dat de vreemdeling eenduidig niet tot een Nuba-bevolkingsgroep hoort en dat het niet aannemelijk is dat hij afkomstig is uit de plaats Abu Jibeha voornamelijk heeft gebaseerd op de onjuiste informatie die de vreemdeling over zijn afkomst en herkomst heeft verstrekt. Hetgeen de taalanalist daarover opmerkt, kan die conclusie dragen zodat het rapport op inzichtelijke wijze is opgesteld. De kritische kanttekeningen die de vreemdeling bij dit rapport heeft geplaatst en die hebben geleid tot de overweging van de rechtbank, als weergegeven in rechtsoverweging 2.1.6., leiden niet tot het oordeel dat de minister niet heeft mogen uitgaan van de juistheid en volledigheid van het rapport. Daartoe is van belang dat de minister zich in het besluit van 2 november 2006 terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling weliswaar heeft verklaard dat zijn vader behoort tot de Nuba uit Darfur, maar dat hem, de minister, bekend is dat Nuba niet afkomstig zijn uit Darfur en voorts dat de vreemdeling wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de ligging, in dan wel buiten Nuba-gebied, van zijn gestelde woonplaats Abu Jibeha.
Gelet op het bovenstaande heeft de minister met de taalanalyse aannemelijk gemaakt dat de vreemdeling inzake zijn afkomst en etniciteit onjuiste gegevens heeft verstrekt.
De grieven 1, 2 en 3 slagen.
2.2. De grieven 4, 5 en 6 missen zelfstandige betekenis.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 november 2006 beoordelen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
2.4. De vreemdeling heeft betoogd dat sprake is van een procedurefout nu zijn gemachtigde niet van tevoren op de hoogte is gebracht van het plaatsvinden van de taalanalyse.
2.4.1. Niet in geschil is dat de vreemdeling een aanvraag om naturalisatie heeft ingediend zonder tussenkomst van zijn gemachtigde. Volgens de uitnodiging voor de taalanalyse van 22 september 2005 zijn bij de behandeling van die aanvraag indicaties naar voren gekomen dat de vreemdeling ten tijde van zijn asielaanvraag mogelijk onjuiste informatie heeft verstrekt, terwijl die informatie tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zou hebben geleid. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat de minister gehouden was om evenvermelde uitnodiging ook aan de gemachtigde van de vreemdeling te sturen. Er is dan ook geen sprake van een procedurefout. De beroepsgrond faalt.
2.5. De vreemdeling heeft betoogd dat hij zich beroept op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) omdat, mede gelet op de huidige situatie in Soedan, terugkeer naar dat land voor hem te gevaarlijk is.
2.5.1. Nu vast is komen te staan dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt ten aanzien van zijn etnische achtergrond, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat hij zijn stelling dat artikel 3 van het EVRM aan zijn terugkeer in de weg staat onvoldoende heeft gestaafd. De beroepsgrond faalt.
2.6. De vreemdeling heeft betoogd dat de minister in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft nagelaten de belangen van zijn kind in de besluitvorming mee te nemen zodat het besluit van 2 november 2006 onzorgvuldig tot stand is gekomen.
2.6.1. Volgens vaste jurisprudentie leidt de scheiding tussen asiel en regulier die volgt uit de systematiek van de Vw 2000 ertoe dat de toepassing van artikel 8 van het EVRM, behoudens in het kader van een vergunning, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000, plaats vindt in de beslissing omtrent een reguliere vergunning en bestaat er geen grond om te oordelen dat die scheiding niet geldt ingeval van intrekking van een verblijfsvergunning asiel.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het kader van de intrekking van een verblijfsvergunning asiel een toets aan artikel 8 van het EVRM niet plaats kan vinden, gezien de scheiding die de Vw 2000 tussen asiel en regulier heeft beoogd. De beroepsgrond faalt.
2.7. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.
2.8. Gelet op het vorenstaande, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 november 2006 van de minister alsnog ongegrond verklaren.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 mei 2008 in zaak nr. 06/57710;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Bakker
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009
395.
Verzonden: 1 april 2009
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak