Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0066

Datum uitspraak2009-04-01
Datum gepubliceerd2009-04-06
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805443/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herhaalde aanvraag / tegenwerpen mvv-vereiste onderhavige aanvraag / besluit van gelijke strekking
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de minister op de onderhavige aanvraag de bepalingen van toepassing heeft geacht die betrekking hebben op een eerste aanvraag om toelating en de vreemdeling, anders dan bij besluit van 2 oktober 2003, het vereiste te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf heeft tegengeworpen. Derhalve is geen sprake van een materieel vergelijkbaar besluit. Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht staat niet in de weg aan een rechterlijke beoordeling van het thans bestreden besluit, aldus de rechtbank. Nu zowel het besluit van 7 november 2006 als het besluit van 2 oktober 2003 strekken tot de weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "gezinsvorming" met als doel verblijf bij [echtgenoot], is het besluit van 7 november 2006 anders dan de rechtbank heeft overwogen een besluit van gelijke strekking.


Uitspraak

200805443/1. Datum uitspraak: 1 april 2009 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellante], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 3 juli 2008 in zaak nr. 07/44126 in het geding tussen: [appellante] en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 7 november 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij besluit van 6 november 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 3 juli 2008, verzonden op 7 juli 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. 2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. 2.1.2. De vreemdeling heeft eerder op 18 januari 2002 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, voor "verblijf bij partner [naam partner]". Bij besluit van 2 oktober 2003, voor zover thans van belang, heeft de minister die aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Op 25 april 2006 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, voor "verblijf bij echtgenoot [echtgenoot]", waarop de minister bij besluit van 7 november 2006 afwijzend heeft beslist. Bij besluit van 6 november 2007 heeft de staatssecretaris deze afwijzing gehandhaafd. 2.1.3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de minister op de onderhavige aanvraag de bepalingen van toepassing heeft geacht die betrekking hebben op een eerste aanvraag om toelating en de vreemdeling, anders dan bij besluit van 2 oktober 2003, het vereiste te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf heeft tegengeworpen. Derhalve is geen sprake van een materieel vergelijkbaar besluit. Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht staat niet in de weg aan een rechterlijke beoordeling van het thans bestreden besluit, aldus de rechtbank. 2.1.4. Nu zowel het besluit van 7 november 2006 als het besluit van 2 oktober 2003 strekken tot de weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "gezinsvorming" met als doel verblijf bij [echtgenoot], is het besluit van 7 november 2006 anders dan de rechtbank heeft overwogen een besluit van gelijke strekking. Op het tegen het besluit van 6 november 2007 ingestelde beroep is derhalve het onder 2.1.1. vermelde beoordelingskader van toepassing. De rechtbank is, gelet op het vorenoverwogene, ten onrechte voorbij gegaan aan de vraag of aan de onderhavige aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, dan wel uit het aldus door de vreemdeling aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor haar relevante wijziging van het recht voordoet. 2.2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling, gelet op het in 2.1.1. weergegeven beoordelingskader, als volgt. 2.3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Ingevolge artikel 3.72 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de wet afgewezen, indien de vreemdeling naar het oordeel van de staatssecretaris heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. Ingevolge artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend aan de vreemdeling van achttien jaar of ouder, die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt, waarin de partners ongehuwd zijn en geen in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, tenzij het huwelijk door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden. Volgens paragaaf B2/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) wordt de (ongehuwde) burgerlijke staat aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden. Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend, indien de hoofdpersoon een garantstelling heeft ondertekend, voor zover de vreemdeling als partner van die persoon wil verblijven. 2.3.1. De minister heeft in het besluit van 2 oktober 2003 aan de afwijzing van de aanvraag van 18 januari 2002 ten grondslag gelegd dat de vreemdeling haar ongehuwde staat niet heeft aangetoond door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden en zij geen door de hoofdpersoon ondertekende garantverklaring heeft overgelegd. Voorts heeft de minister aan de vreemdeling tegengeworpen dat zij niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding en niet heeft aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan is niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een zodanig document. Ten aanzien van het laatste heeft de minister aan de vreemdeling tegengeworpen dat zij, vóór haar komst naar Nederland, in Estland reeds in het bezit is geweest van een tijdelijke verblijfsvergunning alsmede een vreemdelingenpaspoort zoals verstrekt wordt aan statenloze personen die in Estland verblijven en dat, ondanks dat de geldigheidsduur van deze documenten is verlopen, niet is gebleken dat de vreemdeling niet wederom daarvan in het bezit zou kunnen worden gesteld. 2.3.2. De vreemdeling heeft aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd dat zij op 4 mei 2004 is gehuwd met [echtgenoot] en heeft ter staving hiervan onder meer een huwelijksakte overgelegd. Hoewel het huwelijk van de vreemdeling heeft plaatsgevonden ná het besluit van 2 oktober 2003, met als gevolg dat zij niet langer hoeft te voldoen aan de vereisten als bedoeld in artikel 3.22 van het Vb 2000 en paragraaf B2/4.5 van de Vc 2000, is het op voorhand uitgesloten dat deze omstandigheid kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop het rust. De vreemdeling heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij, anders dan in het besluit van 2 oktober 2003 door de minister is gesteld, niet wederom in het bezit kan worden gesteld van een tijdelijke verblijfsvergunning dan wel een vreemdelingenpaspoort zoals verstrekt wordt aan statenloze personen die in Estland verblijven. In hetgeen door de vreemdeling is aangevoerd, zijn derhalve geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gelegen die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen. Nu zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is aangetoond dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45), is er voor een rechterlijke toetsing van het besluit van 6 november 2007 geen plaats. Het beroep dient reeds daarom ongegrond te worden verklaard. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 2.5. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door de vreemdeling voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 3 juli 2008 in zaak nr. 07/44126; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond. IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de vreemdeling het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) terugbetaalt. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers Taselaar, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin voorzitter w.g. Wilbers-Taselaar ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009 71-555. Verzonden: 1 april 2009 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak