Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH9272

Datum uitspraak2009-03-12
Datum gepubliceerd2009-04-01
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/31327
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schrijnendheid / brief minister van Justitie van 21 februari 2007 / checklist bij interne WI 2005/3
Verweerder heeft de aanvraag van eisers op goede gronden niet getoetst aan de interne Werkinstructie 2005/3, maar aan het beleid zoals neergelegd in de brief van de minister van Justitie van 21 februari 2007. Verweerder heeft echter de in de brief genoemde factoren onjuist toegepast en in het bestreden besluit is onduidelijk gebleven waarom de door eisers aangevoerde bijzondere omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang bezien geen als schrijnend aan te merken situatie opleveren. De medische problemen van eiser en eiseres zijn beoordeeld in het kader van de vraag of zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “medische behandeling” dan wel “medische noodsituatie”. Verweerder heeft daarmee een onjuist toetsingskader gehanteerd. Gelet op de brief van 21 februari 2007 had het immers op de weg van verweerder gelegen om zich uit te laten over de vraag of de medische problemen zijn te beschouwen als bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard zoals vermeld in de eerste twee criteria, en zo ja, welke wegingsfactor daaraan dient te worden toegekend. Daarnaast valt niet goed in te zien waarom asielgerelateerde problemen in deze procedure geen rol zouden kunnen spelen. In de brief van 21 februari 2007 wordt ‘gender-gerelateerde aspecten, met name eerwraak en huiselijk geweld’ als factor genoemd. Niet kan worden ontkend dat aan eerwraak een asielrechtelijk aspect kleeft, nu in zaken waarin betrokken aangeven dat zij voor eerwraak hebben te vrezen meestal de vraag centraal zal staan of terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico oplevert als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De omstandigheid dat in het geval van eerwraak inmiddels een reguliere verblijfsvergunning kan worden verleend, maakt dit niet anders. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de checklist bij Werkinstructie 2005/3 ook asielgerelateerde aspecten, zoals ‘sociale groep’ en ‘religie’ als bijzondere omstandigheid werden genoemd. Ten slotte blijkt niet dat verweerder rekening heeft gehouden met de stelling van eisers dat zij in quasi-rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad. Beroep gegrond.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 08/31327 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2009 inzake [eiser] alias [alias], geboren op [geboortedatum] 1959, eiser, [eiseres], geboren op [geboortedatum] 1962, eiseres, en hun drie kinderen, [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1987, [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1989, en [kind 3], geboren op [geboortedatum] 1993, allen van Armeense nationaliteit, hierna tezamen te noemen: eisers, gemachtigde mr. P.H. Hillen, tegen de staatssecretaris van Justitie, te Den Haag, verweerder, gemachtigde mr. A.M.H.W. van Heerebeek. Procesverloop Bij besluit van 19 juli 2006 heeft verweerder de aanvraag van eisers om gebruik te maken van diens inherente afwijkingsbevoegdheid in verband met schrijnende omstandigheden afgewezen. Het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 6 augustus 2008 ongegrond verklaard. Op 11 juli 2008 heeft verweerder dit besluit ingetrokken. Hierop hebben eisers op 18 juli 2008 hun beroep en verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken. Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft verweerder het bezwaar van eisers andermaal ongegrond verklaard. Eisers hebben op 28 augustus 2008 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. De zaak is behandeld op de zitting van 30 januari 2009, waar eisers, met uitzondering van de jongste zoon, in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Overwegingen 1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 6 augustus 2008 in rechte stand kan houden. 2. Eisers hebben aan hun verzoek aan verweerder om gebruik te maken van diens inherente afwijkingsbevoegdheid ten grondslag gelegd dat hun situatie als schrijnend dient te worden aangemerkt. Hierbij is aangegeven dat eisers ten tijde van het bestreden besluit al bijna zes jaar in Nederland verblijven. Het hele gezin is volledig ingeburgerd. Voorts is naar voren gebracht dat eiser en eiseres aan ernstige psychische en lichamelijke klachten lijden. Daarnaast is aangevoerd dat eiseres in haar land van herkomst is verkracht door overheidsfunctionarissen, hetgeen zij tijdens haar asielprocedure niet naar voren heeft kunnen brengen. Volgens de toenmalige gemachtigde van eisers is de asielprocedure nadelig voor getraumatiseerde asielzoekers en dient dit trauma te worden meegenomen in de onderhavige procedure. Verder is naar voren gebracht dat eisers naar de Armeense ambassade in België zijn geweest en aldaar niet in het bezit konden worden gesteld van reisdocumenten. Hiertoe is onder meer een brief van 6 juli 2007 van de Armeense ambassade overgelegd. Daarenboven is gesteld dat de twee oudste zonen van eiser en eiseres bij terugkeer bij de grens van Armenië zullen worden gearresteerd omdat ze niet in militaire dienst zijn geweest. Voorts is aangevoerd dat eisers hier te lande perioden van rechtmatig of quasi-rechtmatig verblijf hebben gehad, te weten vanaf de datum van de onderhavige aanvraag, waarbij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 oktober 2006 werd toegewezen (AWB nrs. 06/36952, 06/36953, 06/36959, 06/44010 en 06/44011), tot aan de verzending van het bestreden besluit van 6 augustus 2008. 3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eisers als gevolg van hun langdurig verblijf hier te lande goed zouden zijn ingeburgerd, niet tot de conclusie leidt dat aan hen hierom verblijf in Nederland dient te worden toegestaan. In dat verband wijst verweerder op het feit dat eisers op 4 december 2001 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend. Deze zijn reeds bij beschikking van 10 december 2001 afgewezen en toen is eisers aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten. Voornoemd besluit is bij uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 21 december 2001 rechtens onaantastbaar geworden. Ook nadien hebben eisers meerdere malen negatieve beslissingen gekregen op de door hen ingediende aanvragen. Desondanks hebben zij de persoonlijke keuze gemaakt hun verblijf hier te lande te continueren. De consequentie die deze keuze met zich brengt, zoals integratie, scholing en werk, komen dan ook voor rekening en risico van eisers. Volgens verweerder hadden eisers er zich van bewust moeten zijn dat hun verblijf in Nederland niet zou worden gelegaliseerd. 4. Met betrekking tot de medische klachten van eiser en eiseres heeft verweerder verwezen naar de adviezen van het Bureau Medisch Advisering (BMA) van 27 februari 2007 en 18 februari 2008, waaruit blijkt dat er voor eiser en eiseres in Armenië psychiatrische behandeling mogelijk is in het Psychiatrisch Medisch Centrum te Jerevan. Tevens is de benodigde medicatie in Armenië verkrijgbaar. Daarnaast is voor eiseres cardiologische behandeling in het Europees Medisch Centrum te Jerevan mogelijk. Verder blijkt uit de BMA-adviezen dat bij het uitblijven van hun medische behandeling op korte termijn geen medische noodsituatie is te verwachten, nu bedoelde behandeling niet hoeft uit te blijven. Immers, de noodzakelijke behandelingen en medicatie zijn in Armenië voorhanden. 5. Daarnaast is volgens verweerder uit de BMA-adviezen gebleken dat eiser en eiseres in staat worden geacht te reizen met gangbare vervoermiddelen. Enige medische voorzieningen voor, tijdens of direct na de reis zijn noodzakelijk. Het betreft hier begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige en een schriftelijke overdracht ten behoeve van de behandelaar(s) op de plaats van bestemming. Aan deze omstandigheid komt evenwel geen doorslaggevende betekenis toe nu hierin kan worden voorzien. De stelling dat het BMA-advies inzake eiser niet duidelijk zou zijn, wordt niet gevolgd. Weliswaar staat in het BMA-advies dat de behandelend arts van eiser bij terugkeer naar het land van herkomst een toename van het angstniveau verwacht met mogelijk suïcidaliteit, doch tevens is door de medisch adviseur in hetzelfde BMA-advies aangegeven dat hiermee tijdens de reis rekening kan worden gehouden. Tevens wordt expliciet vermeld dat eiser en eiseres – zij het met een begeleider – kunnen reizen. Wel is voorzetting van de behandeling op de plaats van bestemming noodzakelijk en is een schriftelijke overdracht geïndiceerd. In de optiek van verweerder zijn er geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de informatie van de medisch adviseur. 6. Voorts wordt door verweerder in het kader van de medische klachten van eiser en eiseres, welke zijn ontstaan door traumatische ervaringen in het land van herkomst, verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 maart 2006 (hierna: de Afdeling), waarin is overwogen dat de (asielgerelateerde) oorzaak van PTSS uit medisch oogpunt niet van belang is om te kunnen bepalen of er medische behandeling in het land van herkomst mogelijk is. Het BMA hoeft hiermee geen rekening te houden. 7. Verweerder heeft voorts geconstateerd dat eisers omstandigheden naar voren hebben gebracht die zien op de onmogelijkheid terug te keren naar hun land van herkomst wegens problemen aldaar. Naar de mening van verweerder zijn die problemen asielgerelateerd en staan die problemen om die reden in de onderhavige procedure niet ter beoordeling. In dit verband wordt verwezen naar de Afdelingsuitspraak van 28 december 2001 (nr. 200105432/1), waarin de strikte scheiding tussen een verblijfsvergunning regulier en een verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd. 8. Met betrekking tot de stelling van eisers dat zij niet in het bezit kunnen geraken van geldige paspoorten dan wel reisdocumenten, wordt allereerst door verweerder overwogen dat het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding een zelfstandige toelatingsvoorwaarde is. De Nederlandse overheid hecht een groot belang aan het bezitten van een geldig document voor grensoverschrijding en documenten ter onderbouwing van de gestelde identiteit en nationaliteit. Verweerder wijst erop dat eisers in de asielprocedure hebben verklaard dat zij in het bezit zijn geweest van een geldig nationaal paspoort voor Armenië dat tijdens de reis naar Nederland is ingenomen door de reisagent. Bij onherroepelijk geworden uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem van 21 december 2001 (AWB nrs. 01/674658, 01/67477 en 01/67476) in de asielprocedure, waarin is geoordeeld dat verweerder terecht heeft overwogen dat eisers verwijtbaar geen documenten hebben overgelegd. Voorts is verweerder van mening dat uit de brief van de Armeense ambassade van 6 juli 2007 niet op voorhand kan worden geconcludeerd dat eiser nimmer meer in het bezit zullen worden gesteld van paspoorten of reisdocumenten. Deze brief betreft namelijk enkel een opsomming van documenten die over gelegd dienen te worden om de nationaliteit vast te kunnen stellen en dat eiseres zich hebben gemeld bij de ambassade zonder deze documenten overgelegd te hebben. Verweerder acht dan ook niet aannemelijk gemaakt dat eisers niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Daarnaast wordt overwogen dat het ontbreken van een document voor grensoverschrijding geen aanleiding vormt eisers op grond van schrijnendheid een verblijfsvergunning te verstrekken. 9. Ten aanzien van de omstandigheid dat het overzicht in de brief van 21 februari 2007 niet uitputtend is, aangezien er zich situaties kunnen voordoen die niet van tevoren zijn te voorzien, wordt door verweerder opgemerkt dat de omstandigheden, zoals die door eisers naar voren zijn gebracht, niet kunnen worden aangemerkt als onvoorzien. De omstandigheden zijn namelijk meegewogen bij het opstellen van de werkwijze inzake de afdoening van zogenaamde 14-1 brieven zoals weergegeven in de brief van de minister van Justitie van 21 februari 2007. De aangevoerde omstandigheid dat eisers reeds lange tijd in Nederland verblijven en de daaruit voortvloeiende gevolgen zijn reeds daarom niet aan te merken als een onvoorziene bijzondere omstandigheid. 10. Verweerder heeft zich op basis van het vorenstaande op het standpunt gesteld dat hetgeen door eisers in de onderhavige procedure is aangevoerd, bezien in het licht van de brief van de minister van Justitie van 21 februari 2007, niet tot verblijfsaanvaarding van eisers in Nederland kan leiden. Evenmin is gebleken dat er sprake zou zijn van andere (bijkomende) klemmende redenen van humanitaire aard die tot verblijfsaanvaarding moeten leiden. Derhalve wordt door verweerder geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). 11. In beroep is namens eisers – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Verweerder handelt in strijd met het verbod van reformatio in peius door eerst in het bestreden besluit het paspoortvereiste tegen te werpen. Voorts zijn eisers van mening dat de brief van de minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 21 februari 2007 (TK 2006-2007, 19 639, nr. 1131) een aanscherping is van het beleid zoals neergelegd in de checklist behorende bij Werkinstructie 2005/3 van 24 januari 2005, nu daarin enkele criteria zijn verdwenen. Volgens eisers heeft verweerder in strijd gehandeld met het eerbiedigingsbeginsel door in de beslissing op bezwaar aan het verscherpte beleid te toetsen. Afgezien daarvan heeft verweerder de criteria zoals genoemd in de brief van 21 februari 2007 op onjuiste wijze toegepast. 12. De rechtbank overweegt als volgt. 13. Ingevolge artikel 13 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien internationale verplichtingen daartoe nopen, met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen. 14. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking, verband houdend met het doel waarvoor verblijf is toegestaan. 15. In artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000 zijn de voornaamste beperkingen genoemd. In het derde lid van artikel 3.4 van het Vb 2000 is bepaald dat, tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de minster de indiening van de aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20000 noodzakelijk is, de minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, kan verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid van artikel 3.4 van het Vb 2000. 16. De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat, op basis van het bestreden besluit, niet gezegd kan worden dat verweerder het paspoortvereiste heeft tegengeworpen. Verweerder heeft immers niet verwezen naar artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar naar artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 op grond waarvan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden afgewezen als de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven. Verweerder heeft de aanvraag van eisers, nu het bezwaarschrift is ingediend voor 16 april 2005, inhoudelijk behandeld. In dit licht bezien dienen de overwegingen in het bestreden besluit met betrekking tot het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding naar het oordeel van de rechtbank dan ook enkel te worden beschouwd als een reactie van verweerder op de stelling van eisers tijdens de hoorzitting in bezwaar, dat zij niet in het bezit kunnen geraken van geldige paspoorten. 17. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder de aanvraag van eisers op goede gronden heeft getoetst aan het beleid zoals neergelegd in de brief van de minister van Justitie van 21 februari 2007. Hiertoe wordt overwogen dat de interne Werkinstructie 2005/3 met de daarbij behorende checklist nimmer te beschouwen is geweest als kenbaar beleid als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder werden er aan de in de checklist en de Werkinstructie genoemde factoren, welke opsomming niet limitatief was, geen (kenbare) wegingsfactor toegekend. De Afdeling heeft in een aantal uitspraken van 21 december 2006 (onder meer LJN: AZ5171, AB 2007, 79 en JV 2007, 56), geoordeeld dat verweerder enig inzicht dient te geven in de weging van de omstandigheden van het geval die leidde tot afwijzing van het verzoek om toepassing van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 in het licht van de omstandigheden van een min of meer vergelijkbaar geval waarin wel toepassing is of zou zijn gegeven aan voormeld artikellid. Daarmee wordt immers verantwoord hoe in het kader van de heroverweging, recht wordt gedaan aan de beginselen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en de vereiste samenhang bij de toepassing van de betrokken regels in het licht van het algemeen belang waartoe ze zijn gesteld. Naar het oordeel van de Afdeling vergt het gelijkheidsbeginsel een consistente gedragslijn van het bestuur en het bewaken van die consistentie is bij uitstek de verantwoordelijkheid van het bestuur. Verweerder heeft met inachtneming van deze Afdelingsjurisprudentie een kenbare werkwijze neergelegd in haar brief van 21 februari 2007, waarin een niet uitputtende opsomming is gegeven van de factoren welke worden meegewogen en waarbij schematisch in de aangehechte bijlage is weergegeven welke wegingsfactor daaraan wordt toegekend. Verweerder heeft daarbij toegezegd dat aan de hand van deze wegingsfactoren een transparante afweging zal worden gemaakt die recht doet aan bedoelde uitspraken van de Afdeling. Met het oog hierop is de rechtbank derhalve van oordeel dat verweerder – mede gelet op het onmiddellijkheidsbeginsel – ten tijde van het bestreden besluit terecht heeft getoetst aan haar huidige beleid zoals verwoord in de brief van 21 februari 2007. 18. In de brief van 21 februari 2007 staat onder meer vermeld, dat omstandigheden die duiden op integratie in de Nederlandse samenleving – zoals de beheersing van de Nederlandse taal, het hebben van (vrijwilligers)werk, het volgen van of hebben afgerond van een opleiding in Nederland – in dit kader onvoldoende onderscheidend zijn en deze op zichzelf gezien dan ook niet tot verblijfsaanvaarding leiden. Ook aan verblijf langer dan vijf jaar in Nederland wordt geen zelfstandige betekenis toegekend; verblijf van vijf jaar wordt – gelet op de ratio achter de toezegging van de toenmalige minister (Nawijn) voor Vreemdelingenzaken en Integratie – wel als minimum gehanteerd. Steeds moet daarenboven sprake zijn van bijkomende redenen van humanitaire aard. In dat kader zullen in voorkomende gevallen de volgende bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard worden meegewogen, vaak (maar niet aansluitend) in een combinatie van factoren: • ernstige medische problemen, met name als hierbij kinderen zijn betrokken (zieke kinderen, kinderen met zieke ouders). Deze reden weegt des te zwaarder, als het kind of de kinderen in Nederland zijn geboren. Doen de medische problemen zich reeds voor vóór het vertrek uit het land van herkomst van de betrokkene(n), dan weegt deze omstandigheid minder zwaar; • ernstige medische problemen waardoor betrokkene niet zonder medische overdracht of medische begeleiding het land kan verlaten en vertrek uit Nederland dientengevolge zeer moeilijk te realiseren is. Hierbij wordt mede acht geslagen op de aanwezigheid van noodzakelijke ononderbroken zorg in het herkomstland; • perioden van rechtmatig of quasi-rechtmatig verblijf (uitstel van vertrek, verblijf op grond van een verblijfsvergunning); • overlijden in Nederland van een gezinslid van de betrokken vreemdeling, met name als met medische bewijsstukken aangetoond is dat daardoor sprake is van ernstig psychisch lijden. Als het gezinslid hier te lande is begraven en het graf regelmatig wordt bezocht door de betrokkene, weegt dit ook mee; • de situatie waarin een belangrijk deel van het gezin waarvan de vreemdeling deel uitmaakt wél is toegelaten, maar de vreemdeling zelf niet; • dreigende scheiding tussen de vreemdeling en diens kind(eren); • gender-gerelateerde aspecten, met name eerwraak en huiselijk geweld. 19. Hoewel bovenstaande opsomming niet uitputtend is bedoeld aangezien er zich altijd situaties kunnen voordoen die van te voren niet te voorzien zijn, is er in beginsel geen reden om een verblijfsvergunning te verlenen indien géén van deze omstandigheden zich voordoen. 20. De rechtbank is met eisers van oordeel dat verweerder voormelde factoren onjuist heeft toegepast en dat in het bestreden besluit onduidelijk is gebleven waarom de door eisers aangevoerde bijzondere individuele omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang bezien, geen als schrijnend aan te merken situatie opleveren. 21. De rechtbank overweegt dat uit de BMA-nota’s van 27 februari 2007 en 18 februari 2008 blijkt dat eiser en eiseres psychische en lichamelijk klachten hebben. Bij het uitblijven van behandeling is een medische noodsituatie op korte termijn niet te verwachten. Eiser en eiseres kunnen reizen, maar er zijn wel aanwijzingen dat enige medische voorziening voor, tijdens en na de reis noodzakelijk is, namelijk begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige en een schriftelijke overdracht ten behoeve van de behandelaar op de plaats van bestemming zodat de behandeling daar kan worden voortgezet. Eiseres dient daarenboven medicijnen mee te nemen tijdens de reis. Verweerder heeft de medische problemen beoordeeld in het kader van de vraag of eiser en eiseres in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “medische benadeling” dan wel “medische noodsituatie”. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee een onjuist toetsingskader gehanteerd. Gelet op de brief van 21 februari 2007 had het immers op de weg van verweerder gelegen om zich uit te laten over de vraag of de medische problemen van eiser en eiseres zijn te beschouwen als bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard zoals vermeld in de eerste twee criteria, en zo ja, welke wegingsfactor daaraan dient te worden toegekend. 22. Daarnaast is de rechtbank met eisers van oordeel, dat niet goed valt in te zien dat asielgerelateerde problemen, wat er van die problemen ook zij, in de onderhavige procedure geen rol kunnen spelen. In de brief van 21 februari 2007 wordt ‘gender-gerelateerde aspecten, met name eerwraak en huiselijk geweld ’ als factor genoemd. Niet kan worden ontkend dat aan eerwraak een asielrechtelijk aspect kleeft, nu in zaken waarin betrokkenen aangeven dat zij voor eerwraak hebben te vrezen meestal de vraag centraal zal staan of terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico oplevert als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De omstandigheid dat in het geval van eerwraak inmiddels een reguliere verblijfsvergunning door verweerder kan worden verleend, maakt dit niet anders. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de checklist bij Werkinstructie 2005/3 ook asielgerelateerde aspecten, zoals ‘sociale groep’ en ‘religie’ als bijzondere omstandigheid werden genoemd. Ter ondersteuning voor dit oordeel verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 december 2006 (AWB 06/1729). 23. Ten slotte heeft verweerder er op geen enkel wijze blijk van gegeven, ook niet in het verweerschrift, dat rekening is gehouden met de stelling dat eisers vanaf de datum aanvraag tot aan de datum van het bestreden besluit, door toewijzing van de voorlopige voorziening bij uitspraak van 16 oktober 2006, quasi-rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad, laat staan dat verweerder die factor heeft meegewogen in het samenstel van factoren die in onderlinge samenhang bezien een als schrijnend aan te merken situatie zouden kunnen opleveren. 24. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, dat vereist dat een beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. 25. Het beroep is derhalve gegrond. 26. Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat in deze uitspraak het beroep gegrond zal worden verklaard, met als gevolg dat het bestreden besluit (deels) zal worden vernietigd. Niettemin heeft de rechtbank bepaalde gronden van het beroep uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Om te voorkomen dat deze verwerping in rechte komt vast te staan, kan tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep worden ingesteld. 27. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: • 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift; • 1 punt voor het verschijnen ter zitting; • waarde per punt € 322,00 • wegingsfactor 1. 28. Aangezien ten behoeve van eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank. 29. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de Staat der Nederlanden aan eisers het door hen gestorte griffierecht ten bedrage van € 145,00 dient te vergoeden. Beslissing De rechtbank, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; - bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eisers het door hen gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 145,00; - veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00; - wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden; - bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier. Aldus gedaan door mr. E.M. de Stigter als rechter in tegenwoordigheid van mr. A.A.M.J. Smulders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2009. De griffier is niet in staat de uitspraak mede te ondertekenen.