
Jurisprudentie
BH5578
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-03-11
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers403052
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-03-11
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers403052
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vernietiging arbitraal vonnis.
Arbiters hebben ten onrechte hun bevoegdheid aangenomen. Gedaagde in de arbitrale procedure was bestuurder van een BV. In de koopovereenkomst was echter niet de naam van die BV vermeld als verkoper, maar de naam van de daaraan voorafgaande BV i.o.. De rechtbank leidt uit hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en uit hun gedragingen af dat het voor de kopers niet van belang is geweest dat de gedaagde persoonlijk (naast de BV i.o.) aansprakelijk zou zijn en leidt uit het feit dat in het vervolg steeds is gehandeld namens de BV af dat de BV als contractspartner moet worden gezien.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 403052 / HA ZA 08-1989
Vonnis van 14 januari 2009
in de zaak van
[A],
wonende te --,
eiser,
advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer,
tegen
1. [B],
2. [BB],
beide wonende te --,
3. [C],
4. [CC],
beide wonende te --,
5. [D],
6. [DD],
beide wonende te --,
7. de vereniging
VERENIGING VAN EIGENAREN SCHOVETWEG 60 T/M 72,
gevestigd te Eygelshoven, gemeente Kerkrade,
gedaagden,
advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer.
Partijen zullen hierna [A] en [B] c.s. genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk worden ook de heer en mevrouw [B], de heer en mevrouw [C] en de heer en mevrouw [D] genoemd.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 oktober 2008
- het proces-verbaal van comparitie van 15 oktober 2008.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Tussen Residentie Park Laura B.V. i.o (hierna RPL B.V. i.o.) enerzijds als verkoper en [B] c.s. anderzijds zijn koop/aanneemovereenkomsten tot stand gekomen met betrekking tot appartementen in het pand Schovetweg 60 t/m 72 te Eygelshoven, gemeente Kerkrade. Dit waren de volgende overeenkomsten:
- een koop/aanneemovereenkomst van de heer en mevrouw [B] met RPL B.V. i.o. van 2 november 1998;
- een koop/aanneemovereenkomst van de heer en mevrouw [D] met RPL B.V. i.o. van 1 maart 1999, respectievelijke 9 april 1999;
- een koop/aanneemovereenkomst van de heer en mevrouw [C] met RPL B.V. i.o. van 14 april 1999.
In deze overeenkomsten is de verkoper als volgt aangeduid:
"Residentie Park Laura B.V. i.o., Torenstraat 28, 6471 JX Eygelshoven, tel. 045-4009550, vertegenwoordigd door de directeuren de heer [A], geboren op 01.05.1944 te Heerlen en de heer [E], geboren op 06.09. 1942 te Heerlen of nader te noemen Meester."
De handtekeningen van [A] en [E] staan onder elk van deze overeenkomsten. De overeenkomsten bevatten elk in artikel 12 een arbitraal beding.
2.2. Elk van de onder 2.1 genoemde koop/aanneemovereenkomsten is gevolgd door een notariële overdrachtsakte, waarin als verkoper is vermeld Résidence Park Laura B.V. (hierna: RPL B.V.).
2.3. RPL B.V. heeft op haar briefpapier termijnfacturen gestuurd aan [B] c.s. uit hoofde van de onder 2.1 genoemde overeenkomsten, welke door [B] c.s. steeds zijn voldaan op de bankrekening van RPL. B.V.
2.4. RPL B.V. is opgericht op 30 juli 1998 en is bij de Kamer van Koophandel ingeschreven op 12 augustus 1998.
2.5. Oorspronkelijk waren [E] en [A] aandeelhouders van RPL B.V., op 8 oktober 1999 heeft [A] zijn aandelen verkocht en overgedragen aan [E].
2.6. RPL B.V. heeft aannemer [F] opdracht gegeven voor de bouw van (onder andere) de appartementen genoemd onder 2.1 in de zomer van 1999. Aannemer [F] heeft bouwwerkzaamheden verricht tot oktober 2000. Op dat moment staakte hij de bouwwerkzaamheden wegens betalingsachterstand van RPL B.V. De bouw was toen nog niet voltooid en de opleveringsdatum was verstreken.
2.7. Tussen [B] c.s. enerzijds en anderzijds [A] en [E], RPL B.V. i.o. en RPL B.V. heeft een procedure plaatsgevonden bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw in eerste instantie en in appel. Deze zaak staat bij de Raad voor de arbitrage bekend als [B] c.s. contra [E] c.s. met nummer 24165.
In deze procedure vordert [B] c.s. kort gezegd betaling van [E] c.s. van schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming van de uit de koop/aanneemovereenkomsten voortvloeiende verbintenissen.
2.8. [A] heeft zich in deze arbitrageprocedure primair op het standpunt gesteld dat de arbiters onbevoegd zijn omdat met hem geen geldige overeenkomst van arbitrage is overeengekomen. De arbiters hebben dit verweer verworpen. De arbiters hebben de volgende vonnissen gewezen:
- incidenteel vonnis van 21 november 2002
- incidenteel vonnis in hoger beroep van 2 juli 2004
- vonnis in eerste aanleg van 17 mei 2006
- vonnis in hoger beroep van 13 juni 2008.
In laatstgenoemd vonnis is [A] veroordeeld tot betaling aan [B] van € 54.975,47, aan [C] van € 61.782,18, aan [D] van € 77.664,47 en aan de VvE Schovetweg 60 t/m 72 van € 5000, telkens met wettelijke rente alsmede van € 1.447,57 voor de kosten van het arbitrale geding.
[E] en RPL B.V. zijn hoofdelijk tot betaling van dezelfde bedragen veroordeeld, maar bieden geen verhaal.
2.9. Een schriftelijke verklaring van [G], gedateerd 26 februari 2004 luidt, voor zover hier van belang, als volgt.
“Geachte heer [A],
Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud op 18 februari jl. deel ik u het volgende mede:
U liet mij weten dat u door een aantal kopers van appartementen aan de Schovetweg in een procedure bent betrokken, in welke procedure is gesteld dat u als vennoot van de VOF Residence Park Laura BV i.o. in de periode 1998/1999 koop- aannemingsovereenkomsten heeft gesloten en u om die reden privé aansprakelijk wordt gehouden.
In genoemde periode was ik werkzaam bij u als secretaresse in welke functie ik ondermeer koopovereenkomsten voorbereidde, uitwerkte en met behulp van de computer op papier bracht.
Ik heb zowel voor Villa Pierre BV als voor Residence Park Laura BV diverse koop- aannemingsovereenkomsten opgesteld en in de computer opgeslagen. In de beginperiode van Residence Park Laura BV, begin 1998, toen de vennootschap nog in oprichting was heb ik een concept koop- aannemingsovereenkomst opgesteld aan de hand van een model dat al vaker door u was gebruikt en heb toen in de plaats van "Residence" de Nederlandse vertaling "Residentie" in de conceptovereenkomst vermeld. Ik heb daar niet bij stil gestaan omdat vaker gesproken werd over de "Residentie" aan de Schovetweg.
Kennelijk is die verschrijving u ook niet opgevallen toen enige tijd later diverse koop- aannemingsovereenkomsten werden ingevuld met de namen van de kopers. Ook ik heb niet gekeken of de naam van de vennootschap juist was geschreven.
De naam "Residentie Park Laura BV i.o." stond in de conceptovereenkomst en ik lette meer op de variabele gegevens die in het concept moesten worden opgenomen zoals de namen van de kopers, de koopprijs etc ..
Mij is bekend dat u samen met de heer [E] betrokken bent geweest bij de oprichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Residence Park Laura BV". Verder is mij bekend dat in de periode 1998/1999 door u en de heer [E] naast "Residence Park Laura" en "Villa Pierre" geen andere vennootschap is opgericht met betrekking tot de ontwikkeling en verkoop van de 2 appartementencomplexen aan de Schovetweg.
"Residentie Park Laura BV i.o." berust in feite op een verschrijving van mij in de eerste concept koop- aannemingsovereenkomst die ik opmaakte en in het bestand van de computer opsloeg. Nadien heb ik dat model diverse malen gebruikt, zonder acht te slaan op de juiste benaming "Residence Park Laura BV i.o.
Enige tijd later, naar ik mij herinner medio 1998, werden de statuten van deze vennootschap bij de notaris verleden en werd de toevoeging "i.o.” in feite overbodig.
Desalniettemin is deze toevoeging nog gedurende langere tijd in de koop- aannemings¬overeen¬komsten blijven staan.”
2.10. Met betrekking tot het appartementencomplex Park Laura is een verkoopfolder vervaardigd, waarin RPL B.V. als initiatiefnemer wordt vermeld; [A] Onroerend Goed wordt vermeld onder de kopjes Projectontwikkeling en Verhuur/verkoop.
2.11. Ter comparitie van partijen gehouden op 15 oktober 2008 zijn onder andere de volgende verklaringen afgelegd.
“De heer [B] verklaart als volgt:
De heer [A] is bij mij thuis geweest. Hij heeft mij een appartement verkocht. Hij was er heel enthousiast over. Hij zei dat hij er zelf ook ging wonen. U vraagt mij of mij is opgevallen dat het koop/aannemingscontract stond op naam van een B.V. in oprichting. Dat is mij niet opgevallen. U vraagt mij of mij is opgevallen dat de facturen op naam van RPL B.V. stonden. Ik heb mij daar wel over verbaasd. Ik heb daar verder geen aandacht aan besteed. Ik was blij dat de bouw was gestart. Ik heb het appartement gekocht van de heer [A]. Ik zou er na acht maanden in kunnen, maar dat zijn 28 maanden geworden. Toen ik kocht was er nog geen bouwvergunning.
De heer [C] verklaart als volgt:
In mijn geval is het eigenlijk hetzelfde gegaan als bij de heer [B]. Ook bij mij is de heer [A] thuis geweest. Hij is bekend als een grote partij. Hij had ook een mooie folder. Ik heb hem gevraagd of de GIW-garantie van toepassing zou zijn. Hij zei dat dat natuurlijk zo was. Het is mij niet opgevallen dat de koop/aanneemovereenkomst stond op naam van Residentie Park Laura in oprichting. U vraagt of ik heb gezien dat de facturen stonden op naam van RPL B.V. Ik dacht, dat zal wel van [A] zijn. Ik heb het betaald op basis van goed vertrouwen.”
3. Het geschil
3.1. [A] vordert samengevat – vernietiging van de onder 2.8 genoemde arbitrale vonnissen, verklaring voor recht dat [B] c.s. aan die vonnissen jegens [A] geen rechten kan ontlenen, veroordeling tot (terug)betaling van wat op grond van die vonnissen door [A] aan [B] c.s. is betaald en tot betaling van € 8.500 ter vergoeding van de door [A] aan de Raad voor arbitrage voor de Bouw betaalde waarborgsommen en € 52.950,32 ter vergoeding van door [A] gemaakte kosten van juridische bijstand in de arbitrageprocedure en € 3.702 voor de kosten van het stellen van een contra bankgarantie na een door [B] c.s. gelegd beslag, met veroordeling van [B] c.s. in de kosten van de procedure.
3.2. [A] baseert zijn vordering op artikel 1065 lid 1 sub A en B Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv.). [A] legt aan het gevorderde ten grondslag dat de arbiters zich ten onrechte bevoegd hebben verklaard, omdat hij persoonlijk geen contractspartij is in de onder 2.1 bedoelde overeenkomsten en dus ook niet is gebonden aan het daarin opgenomen arbitraal beding.
De vermelding van RPL B.V. i.o. in plaats van RPL B.V. is een verschrijving. [A] beroept zich hierbij op de onder 2.9 weergegeven verklaring van zijn toenmalige secretaresse. Het was de kopers echter voldoende duidelijk dat RPL B.V. de verkoper was op grond van de onder 2.10 bedoelde verkoopbrochure, de door RPL B.V. gezonden facturen, die door [B] c.s. aan RPL B.V. zijn betaald en de onder 2.2 genoemde overdrachtsakten. Ook toen er problemen waren, hebben [B] c.s. zich eerst tot RPL B.V. en tot [E] gewend, pas toen bleek dat die geen verhaal boden en [A] wel, hebben de kopers zich tot hem gewend met een beroep op de onder 2.1 bedoelde overeenkomsten.
Subsidiair heeft [A] zich beroepen op artikel 3:67 Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij hij aanvoert dat RPL B.V. de nader te noemen meester is.
3.3. [B] c.s. stelt dat [A] in het arbitrale geding terecht mede als contractspartij is veroordeeld, omdat de onder 2.1 genoemde koop/aannemingscontracten op naam staan van RPL B.V. i.o. en hij als directeur die overeenkomsten heeft ondertekend. Dat hierbij sprake is geweest van een vergissing of verschrijving in de naam van de verkoper betwisten zij. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. In de arbitrage procedure is ervan uitgegaan dat [A] mede aansprakelijk is omdat de gestelde vergissing in de aanduiding van de verkoper in de onder 2.1 bedoelde overeenkomsten niet als zodanig voor [B] c.s. duidelijk moet zijn geweest. Dus moet de B.V. i.o. gelden als een vennootschap onder firma, waardoor [A] als vennoot mede aansprakelijk is, aldus de arbiters.
4.2. De rechtbank zal teneinde op de vordering te kunnen beslissen moeten onderzoeken wie als contractspartij bij de onder 2.1 bedoelde koop/aanneem¬overeen¬komsten heeft te gelden.
Vast staat dat de genoemde overeenkomsten zijn gesloten op naam van RPL B.V. i.o. als verkoper. Ook staat vast dat RPL B.V. toen al bestond. [A] stelt dat van een vergissing sprake is. [B] c.s. betwist dit.
4.3. Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dat wil zeggen als wederpartij van die ander - is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkander hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden, zie HR 1 maart 1977, NJ 1977, 521. Daarbij is er naar het oordeel van de rechtbank geen grond slechts de verklaringen en gedragingen in ogenschouw te nemen die aan het sluiten van de overeenkomst voorafgingen, maar kan eveneens betekenis toekomen aan de verklaringen en gedragingen van partijen die op het sluiten van de overeenkomst zijn gevolgd.
In dit geval gaat het om de vraag of [A] mede als partij is opgetreden als gevolg van het feit dat hij door te handelen onder de naam van RPL B.V. i.o. persoonlijk mede aansprakelijk was.
4.4. Ten aanzien van wat partijen over en weer hebben verklaard overweegt de rechtbank het volgende.
Dat [B] c.s. zich bij het tot stand komen van de overeenkomst het verschil in rechtsgevolg heeft gerealiseerd tussen het sluiten van een overeenkomst met [A], handelend namens een B.V. in oprichting dan wel handelend namens een B.V., is niet gesteld of gebleken. Ook is niet gesteld of gebleken dat het voor [B] c.s. bij het aangaan van de overeenkomsten van belang werd geacht dat [A] in persoon (mede) aansprakelijk was. Noch uit de stukken van het geding noch uit de ter comparitie afgelegde verklaringen zoals aangehaald onder 2.11 blijkt dat [B] c.s. na kennisneming van de koop/aanneemovereenkomst, de facturen en de concept overdrachtsakte zich rekenschap hebben gegeven van de vraag welke natuurlijke of rechtspersoon hun contractuele wederpartij was. Immers wijst niets er op dat de drie tot [B] c.s. behorende echtparen het verschil op dit punt tussen de koop/aanneemovereenkomst enerzijds en de facturen en de overdrachtsakte anderzijds is opgevallen en dat zij daarop hebben gereageerd (wat van hen verwacht had mogen worden als het verschil hen was opgevallen). De heren [B] en [C] hebben dit ook ter comparitie bevestigd, zie de onder 2.11 aangehaalde verklaringen. Zij hebben kort samengevat verklaard dat zij zich bij het tot stand komen van de overeenkomsten vooral hebben laten leiden door het feit dat [A] als makelaar in de omgeving een bekende persoonlijkheid was, in wie zij vertrouwen stelden.
4.5. Ten aanzien van de verklaringen van de verkoper bij de onder 2.1 bedoelde koop/aanneemovereenkomsten hecht de rechtbank betekenis aan het feit dat weliswaar in de onder 2.1 bedoelde overeenkomsten RPL B.V. i.o. als contractspartij is genoemd, maar dat daarna in facturen en ook in de transportaktes steeds is gehandeld namens RPL B.V.
Gezien het feit dat ten tijde van het sluiten van de koop/aanneemovereenkomsten RPL B.V. reeds bestond ligt het voor de hand er vanuit te gaan dat de vermelding van RTL B.V. i.o. als verkoper berustte op een vergissing, zoals ook door de toenmalige secretaresse van [A] is verklaard. Weliswaar heeft [B] c.s. betwist dat van een vergissing sprake is, maar zij hebben geen concrete omstandigheden gesteld waaruit dat zou zijn af te leiden en aldus die betwisting onvoldoende onderbouwd om tot bewijslevering te worden toegelaten.
Uit niets blijkt dat genoemde vergissing eerder aan partijen is opgevallen dan nadat de onder 2.6 vermelde problemen waren gerezen.
4.6. De rechtbank komt tot de conclusie dat partijen uit elkaars verklaringen en gedragingen (of het ontbreken daarvan), te weten de koop/aanneemovereenkomsten, de facturen, en de betaling daarvan en de transportakte op dit punt niet anders hebben kunnen afleiden dan dat RPL B.V. gold als verkoper. Dit leidt tot het oordeel dat partijen door hun latere verklaringen en gedragingen tegenover elkaar, te weten het versturen en betalen van facturen op naam van RPL B.V. en het meewerken aan het notariële transport van de betrokken onroerende zaken, waarbij eveneens RPL B.V. als verkoper werd genoemd, de in de koop/aanneemovereenkomst gemaakte vergissing hebben hersteld.
4.7. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Een koper die koopt van een B.V. i.o. dient er rekening mee te houden dat de B.V. daadwerkelijk wordt opgericht en de overeenkomst bekrachtigt. Dit heeft tot gevolg dat de koper niet langer de oprichters van de BV i.o. persoonlijk kan aanspreken, maar nog slechts de B.V. Met andere woorden de persoonlijke mede-aansprakelijkheid van een bestuurder van een B.V. i.o. is in de regel tijdelijk. Wie een permanente persoonlijke mede-aansprakelijkheid van een bestuurder van een B.V. i.o. wenst, zal die uitdrukkelijk overeen moeten komen.
Weliswaar heeft deze situatie zich hier niet voorgedaan omdat RPL B.V. al bestond op het moment dat de overeenkomsten op naam van RPL BV i.o. werden gesloten en [A] en [E] zich kennelijk niet bewust zijn geweest van de gemaakte vergissing. Van een bekrachtiging als hiervoor bedoeld is geen sprake geweest. Dat neemt niet weg dat ook hier geldt dat het sluiten van een overeenkomst met een B.V. i.o. niet het vertrouwen vestigt dat de natuurlijke persoon die voor de B.V. i.o. tekent naast de B.V. i.o. blijvend aansprakelijk zal zijn. Die aansprakelijkheid heeft in dit geval niet bestaan doordat de gemaakte vergissing in de verzonden facturen en in de aanduiding van de verkoper in de onder 2.2 bedoelde overdrachtsakten nadien is hersteld, zoals hiervoor overwogen. Hierin kan overigens ook een impliciete bekrachtiging door RPL B.V. worden gezien, nu een (bekrachtigings)verklaring immers volgens artikel 3:37 BW ook in een of meer gedragingen besloten kan zijn.
4.8. Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat niet RPL B.V. i.o. maar RPL B.V. als verkoper dient te gelden, dient ten aanzien van de onder 4.1 bedoelde vraag als volgt te worden beslist. [A] is geen partij bij de onder 4.1 bedoelde overeenkomsten, zodat hij ook niet is gebonden aan het arbitraal beding. De arbitrale vonnissen zullen op grond van het bepaalde in artikel 1065 Rv. worden vernietigd, echter slechts voor zover deze veroordeling van [A] inhouden.
4.9. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen, omdat de vernietiging van de arbitrale vonnissen voor zover zij veroordeling van [A] inhouden reeds tot gevolg hebben dat [B] c.s. aan die vonnissen jegens [A] geen rechten kan ontlenen. [A] heeft dus bij de gevorderde verklaring voor recht geen belang.
4.10. De vordering tot (terug)betaling van wat op grond van de arbitrale vonnissen door [A] aan [B] c.s. is betaald, is als zodanig niet betwist en zal worden toegewezen, nu voor die betalingen na dat vonnis geen rechtsgrond meer bestaat; ook de wettelijke rente daarover is toewijsbaar.
4.11. Omdat de rechtbank de arbitrale vonnissen vernietigt, zal ook de vordering tot betaling van € 8.500 ter vergoeding van de door [A] aan de Raad van arbitrage voor de Bouw betaalde waarborgsommen, die als zodanig niet door [B] c.s. is betwist, worden toegewezen.
4.12. [A] heeft een bedrag van € 52.950,32 gevorderd ter vergoeding van door [A] gemaakte kosten van juridische bijstand in de arbitrageprocedure. Nadat [B] c.s. het verweer heeft gevoerd dat daarvan geen bewijsstukken zijn overgelegd, heeft [A] een gespecificeerd urenoverzicht en de door zijn advocaat verzonden declaraties in het geding gebracht. [B] c.s. heeft vervolgens de omvang van de gestelde kosten van rechtsbijstand niet langer betwist, maar zich op het standpunt gesteld dat nu de facturen zijn gericht aan Holding [A] BV, [A] geen schade heeft geleden. [A] heeft gesteld dat hier tegenover staat dat hij een schuld aan zijn Holding heeft.
De rechtbank oordeelt als volgt. Nu het hier blijkens de naam van de BV gaat om een persoonlijke Holding, moet er van uit worden gegaan dat de gemaakte kosten of deze nu ten laste van de BV worden gebracht dan wel als schuld van [A] aan de BV ten laste van [A] persoonlijk, uiteindelijk een vermogensnadeel voor [A] betekenen, zodat hij deze schade in de onderhavige procedure kan vorderen. Dit onderdeel van de vordering zal dus worden toegewezen.
4.13. Het gevorderde bedrag van € 3.702 voor de kosten van het stellen van een contra bankgarantie na door [B] c.s. gelegd beslag, is als zodanig niet betwist en zal eveneens worden toegewezen.
4.14. [B] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:
- dagvaarding EUR 85,44
- vast recht 1.435,00
- salaris advocaat 894,00 (1,0 punt × factor 1,0 × tarief EUR 894,00)
Totaal EUR 3.308,44
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. vernietigt de door de Raad van Arbitrage voor de Bouw in eerste instantie en in appel gewezen vonnissen in de zaak [B] c.s. contra [E] c.s. met nummer 24165, te weten:
- incidenteel vonnis van 21 november 2002
- incidenteel vonnis in hoger beroep van 2 juli 2004
- vonnis in eerste aanleg van 17 mei 2006
- vonnis in hoger beroep van 13 juni 2008.
echter slechts in zoverre [A] in die vonnissen wordt veroordeeld jegens [B] c.s.,
5.2. veroordeelt [B] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [A] terug te betalen hetgeen uit hoofde van de onder 5.1 bedoelde arbitrale vonnissen is betaald, met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de betaling door [A] tot de dag van de terugbetaling door [B] c.s.,
5.3. veroordeelt [B] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [A] te betalen een bedrag van EUR 65.152,32 (vijfenzestig duizendéénhonderdtweeënvijftig euro en tweeëndertig eurocent),
5.4. veroordeelt [B] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 3.308,44.
5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2009.?