
Jurisprudentie
BH3538
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-02-20
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/45055
Statusgepubliceerd
SectorPresident
Datum gepubliceerd2009-02-20
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/45055
Statusgepubliceerd
SectorPresident
Indicatie
Eisers partner is burger van de Europese Unie en eiser heeft een aanvraag om erkenning als partner van een EU-onderdaan ingediend. Eiser is korter dan drie maanden in Nederland.
Eiser is na zijn strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld, omdat hij met een vals papsoort is ingereisd. Eiser heeft ten tijde van de inbewaringstelling en ook daarna niet aangetoond rechtmatig verblijf te hebben op grond van Richtlijn 2004/38 EG. Eiser was ten tijde van de inbewaringstelling niet in het bezit van een geldig paspoort en toen het paspoort in zijn bezit was, heeft hij het niet overgelegd bij verweerder. Gelet op artikel 8:11 van het Vb, waarmee is beoogd uitvoering te geven aan de artikelen 3 en 6 van Richtlijn 2004/38 kon eiser als partner van een burger van de Europese Unie eerst rechtmatig verblijf hebben, indien hij in het bezit was van een geldig paspoort.
Uitspraak
Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 08/45055
V-nr.:
inzake: eiser, geboren in 1982, van (gestelde) Albanese nationaliteit, verblijvende in detentie, eiser,
gemachtigde: mr. B.D. Lit, advocaat te Amsterdam,
tegen: de staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 24 december 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
Bij beroepschrift van 24 december 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.
Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 7 januari 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig L. van den Berg-Lieshi als tolk in de Albanese taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. De oplegging van de maatregel is onrechtmatig. Op grond van de Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Richtlijn) heeft eiser rechtmatig verblijf. Ingevolge artikel 7 van voornoemde richtlijn heeft iedere burger van de Europese Unie recht op verblijf en in artikel 2 wordt een gezinslid gelijk gesteld met een burger van de Europese Unie. Ten tijde van de inbewaringstelling was verweerder hiervan op de hoogte. Het paspoort van eiser is een week geleden ontvangen door de vriendin van eiser. Eiser heeft bij faxbricht van 29 december 2008 aan verweerder medegedeeld dat het paspoort er was en aangeboden deze desgewenst over te leggen. Verweerder heeft hierop tot op heden nog niet gereageerd. Dit komt voor rekening en risico van verweerder. Indien eiser niet in bewaring was gesteld had hij op basis van het verzoek om erkenning van het verblijfsrecht als gezinslid van een EU-onderdaan een sticker in zijn paspoort gekregen en zou hij rechtmatig verblijf hebben.
Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Er waren gronden om eiser in bewaring te stellen. Eiser is met een vals paspoort ingereisd. Een aanvraag op basis van EU-recht is onvoldoende om te kunnen stellen dat eiser rechtmatig verblijf heeft. Het originele paspoort heeft verweerder nooit gezien. De identiteit van eiser staat dan ook nog niet vast. Tevens staat ook nog niet vast of er sprake is van een duurzame exclusieve relatie. Verweerder heeft geen ongehuwdverklaring van de vriendin van eiser ontvangen en zij heeft niet aangegeven wanneer de relatie is ontstaan.
De rechtbank overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, met het oog op de uitzetting, in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.
In geschil is allereerst de vraag of eiser rechtmatig verblijf heeft als partner van een burger van de Europese Unie. Niet in geschil is dat de partner van eiser een burger van de Europese Unie is.
De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard dat hij sedert 12 december 2008, derhalve korter dan drie maanden, in Nederland is. Verweerder heeft dit niet betwist.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn is deze van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden, als gedefinieerd in artikel 2, tweede lid, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de richtlijn vergemakkelijkt het gastland, onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van betrokkenen, overeenkomstig zijn nationaal recht binnenkomst en verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn hebben burgers van de Unie het recht gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.
Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn is lid 1 eveneens van toepassing ten aanzien van familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die de burger van de Unie begeleiden of zich bij hem voegen, en in het bezit zijn van een geldig paspoort.
Uit de nota van toelichting (Stb 2006, 215, pp 30-34) blijkt dat met de artikelen 8.7 en 8.11 van het Vb 2000, voor zover thans van belang, is beoogd uitvoering te geven aan de artikelen 3 en 6 van de Richtlijn.
Ingevolge artikel 8.7, vierde lid, Vb 2000 is, voor zover van belang, paragraaf 2 van afdeling 2 van hoofdstuk 8 van het Vb 2000 eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft.
Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, Vb 2000 heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel en beschikt over een geldig paspoort, rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis.
Ten tijde van de oplegging van de bewaring was eiser niet in het bezit van zijn geldig paspoort. Gelet op artikel 8.11, tweede lid, Vb 2000 had eiser dan ook ten tijde van de oplegging van de maatregel geen rechtmatig verblijf. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Eiser heeft voorts gesteld sinds een week in het bezit te zijn van zijn geldige paspoort. Dit paspoort is echter (nog) niet in het bezit van verweerder. Indien eiser van oordeel is met het paspoort wel rechtmatig verblijf te hebben, is het aan eiser om het paspoort bij verweerder over te leggen. Eiser heeft derhalve ook na zijn inbewaringstelling niet aangetoond rechtmatig verblijf te hebben op grond van artikel 8.11, tweede lid, Vb 2000.
De gemachtigde van eiser heeft in zijn faxbericht van 29 december 2008 gericht aan de afdeling regulier/EU van verweerder in het kader van zijn aanvraag om erkenning van het EU-verblijfsrecht medegedeeld dat de vriendin van eiser in het bezit is van het originele paspoort van eiser en dat indien verweerder de beschikking over dat paspoort nodig heeft, hij dat graag hoort van verweerder.
De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat verweerder na één week nog niet heeft gereageerd op dit faxbericht het handelen van verweerder, gelet op het feit dat het aan eiser is om zijn rechtmatig verblijf aan te tonen, niet onvoldoende voortvarend maakt.
Nu eiser niet heeft aangetoond rechtmatig verblijf te hebben reeds omdat hij zijn originele paspoort (nog) niet heeft overgelegd, laat de rechtbank de vraag of er sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie in de zin van artikel 8.7, vierde lid, Vb 2000 achterwege.
Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat de bewaring onrechtmatig is, omdat hij op 22 december 2008 een aanvraag om erkenning van zijn verblijfsrecht als gezinslid van een EU-onderdaan heeft ingediend en verweerder hem hierdoor ten onrechte op de a-grond van artikel 59 van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Een onjuiste hantering van de categorie van inbewaringstelling maakt de voortzetting daarvan onrechtmatig, indien de met de voortzetting van de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Ingevolge artikel 59, vierde lid, Vw 2000, voor zover van belang, mag de bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan vier weken duren. Daar de termijn van vier weken (nog) niet is verstreken, is van een zodanige onevenwichtigheid geen sprake.
Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzitter, in tegenwoordigheid van D. Bokma, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2009.
Afschrift verzonden op:
Conc.: DBo
Coll:
D:
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.