
Jurisprudentie
BH3389
Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-02-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers08-4884, 313941
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-02-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers08-4884, 313941
Statusgepubliceerd
Indicatie
Omgang, Litispendentie, procedure in Belgie afwachten.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: 08-4884
Zaaknummer: 313941
Datum beschikking: 16 januari 2009
Omgang
Beschikking op het op 24 juni 2008 ingekomen verzoek van:
[de moeder]
wonende te [plaats 1],
advocaat: mr. A.A.M. Ruys-van Essen te 's-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader]
wonende te [plaats 2] (België),
advocaat: mr. D. van Himbeeck te Antwerpen (België).
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief d.d. 15 september 2008 met bijlagen van de zijde van de moeder;
- de brief d.d. 7 oktober 2008 met bijlagen van de zijde van de moeder;
- het faxbericht d.d. 18 december 2008 met bijlagen van de zijde van de vader.
De minderjarigen [A.] en [B.] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 19 december 2008 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. Voorts is verschenen de heer V. van den Berg namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad). Van de zijde van de vader zijn nadere stukken overgelegd.
Feiten
Genoemde vader en moeder zijn gewezen echtgenoten, van wie het huwelijk door echtscheiding is ontbonden en ouders van de minderjarigen:
- [zoon A.], geboren op 20 juli 1994 te [plaats 3] (België);
- [zoon B.], geboren op 20 juli 1994 te [plaats 3] (België).
Verzoek
De moeder verzoekt:
- de bestaande omgangsregeling te wijzigen den de vader de omgang te ontzeggen op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek subsidiair op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek en
- voor zover nodig het vonnis van de Belgische rechter d.d. 4 april 2008 buiten beschouwing te laten, subsidiair te bepalen dat voormeld vonnis niet wordt erkend op grond van artikel 23 van de Verordening EG nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (Brussel II bis);
een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
Beoordeling
Bevoegdheid van de advocaat van de man om in Nederland te procederen
De rechtbank overweegt allereerst dat de advocaat van de vader op grond van artikel 16b van de Advocatenwet bevoegd is om in Nederland te procederen.
Bevoegdheid Nederlandse rechter ten aanzien van de omgang
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen ten tijde van het aanhangig maken van onderhavige zaak in Nederland was, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 Brussel II bis rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek.
Litispendentie
Primair is de vader van mening dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 19 lid 2 Brussel II bis het verzoek ten aanzien van de omgang dient aan te houden, nu de procedure in Nederland aanhangig is gemaakt nadat het hoger beroep in België aanhangig was gemaakt.
De vader heeft subsidiair verzocht om partijen op grond van artikel 19 lid 3 Brussel II bis naar België te verwijzen, nu in België hoger beroep aanhangig is gemaakt tegen de beschikking van de Belgische rechter d.d. 8 april 2008.
De moeder is van mening dat de bevoegdheid van de Belgische rechter door haar nimmer uitdrukkelijk en op ondubbelzinnige wijze is aanvaard. Zij was niet op de hoogte van de mondelinge behandeling van 12 maart 2008 en zij is daarom niet verschenen. Bij betekening van een deurwaarder op 15 mei 2008 is zij op de hoogte gesteld van genoemde datum van de mondelinge behandeling, alsmede van het vonnis van de Belgische rechter van 8 april 2008.
Nu de moeder en de minderjarigen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in België, te weten op 9 september 2005, in Nederland woonachtig waren, was de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 lid 1 Brussel II bis bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. De Belgische rechter had zich op grond van artikel 17 Brussel II bis onbevoegd moeten verklaren, aldus de moeder.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten
- in een regelingsakte d.d. 21 februari 2003 is een verblijfsregeling ten aanzien van de minderjarigen uitgewerkt;
- tussen partijen is in België op 20 oktober 2003 de echtscheiding uitgesproken;
- door de man is op 9 september 2005 in België een procedure aanhangig gemaakt tot naleving van de in genoemde regelingsakte opgenomen verblijfsregeling;
- in februari 2006 is door de Belgische rechter uitspraak gedaan bij tussenbeschikking;
- op 8 april 2008 is door de Belgische rechter uitspraak gedaan bij eindbeschikking;
- door de vrouw is tegen genoemde eindbeschikking hoger beroep ingesteld in België;
- op 24 juni 2008 heeft de moeder onderhavig verzoek bij deze rechtbank ingediend.
De rechtbank zal eerst bezien wanneer het onderhavige verzoek bij deze rechtbank aanhangig is gemaakt. Nu hier te lande een verzoek geacht wordt aanhangig te zijn vanaf het moment van indiening daarvan, is beslissend het tijdstip waarop het verzoekschrift (zijnde het inleidende gedingstuk) van de moeder ter griffie van deze rechtbank is ingekomen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in Nederland ingediende verzoek van de moeder aanhangig is sinds 24 juni 2008, zijnde de datum waarop het verzoekschrift van de moeder ter griffie van deze rechtbank is binnengekomen. De zaak is in behandeling genomen met zaaknummer 313941 en rekestnummer 08-4884.
Tussen partijen is niet in geschil dat tegen het vonnis van de Belgische rechter van 8 april 2008 in België hoger beroep aanhangig is gemaakt. Dat het hoger beroep in België is ingesteld vóórdat het onderhavige verzoek van de moeder in Nederland is ingediend, blijkt uit het feit dat de moeder in haar verzoekschrift heeft gesteld dat zij inmiddels in België hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Belgische rechter van 8 april 2008. De vader heeft ter terechtzitting onweersproken gesteld dat behandeling van de zaak in België is gepland op 15 april 2009. Gezien het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat vóórdat de onderhavige zaak in Nederland aanhangig is gemaakt, bij de Belgische rechter tussen dezelfde partijen een procedure met betrekking tot de omgang is aangebracht.
Hieraan doet niet af dat de Belgische rechter zich volgens de stellingen van de moeder ten aanzien van het oorspronkelijke verzoek onbevoegd had moeten verklaren, evenmin de stelling van de vrouw dat de bevoegdheid van de Belgische rechter door haar destijds niet uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank de zaak aanhouden tot na te melden proformadatum, in afwachting van het verloop van het hoger beroep in België.
Proceskosten
Nu met betrekking tot de omgangsregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt de beslissing inzake de proceskosten eveneens aangehouden.
Beslissing
De rechtbank:
houdt de behandeling van het verzoek ten aanzien van de omgang aan tot 1 juni 2009 pro forma;
bepaalt dat partijen zich uiterlijk twee weken vóór genoemde proformadatum dienen uit te laten omtrent de voortgang van de procedure in België;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling en de proceskosten aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. de Wit, kinderrechter, bijgestaan door mr. J.J. Runderkamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2009