Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH3036

Datum uitspraak2009-01-19
Datum gepubliceerd2009-02-16
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers260054 / FA RK 08-7644
Statusgepubliceerd


Indicatie

Voorlopige voorzieningen. Echtscheidingsprocedure aanhangig in Marokko. Rechtsmacht ter zake van verzoek om alimentatie en toevertrouwing kinderen.


Uitspraak

beschikking RECHTBANK UTRECHT Sector handels- en familierecht zaaknummer / rekestnummer: 260054 / FA RK 08-7644 voorlopige voorzieningen Beschikking van 19 januari 2009 in de zaak van [de vrouw], wonende [woonplaats], hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. J.E. Runhaar, tegen[de man], wonende te [woonplaats] hierna te noemen de man, advocaat mr. J.R. Ran. 1. Verloop van de procedure De vrouw heeft ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend dat strekt tot het geven van voorlopige voorzieningen. De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 12 januari 2009. De man is niet ter terechtzitting verschenen. Wel is namens de man mr. J.R. Ran verschenen. 2. Beoordeling van het verzochte 2.1. De vrouw heeft de rechtbank verzocht om de minderjarige kinderen van partijen -[kind 1] van drie jaar oud en [kind 2] van twee jaar oud- aan haar toe te vertrouwen, het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 131,00 per kind per maand vast te leggen. 2.2. Volgens de man dient de vrouw op grond van artikel 1:12 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek, nu in Marokko een echtscheidingsprocedure tussen partijen aanhangig is. Volgens de man hebben partijen alsook hun kinderen hun gewone verblijfplaats in Marokko. Namens de man is in dit verband een aantal fotokopieën ter terechtzitting overgelegd waaronder een aantal oproepen van de Rechtbank van eerste instantie te Nador alsmede een schoolverklaring uit Marokko waaruit volgt dat [kind 1] en [kind 2] in Marokko naar de basisschool gaan. 2.3. De vrouw heeft het standpunt van de man betwist. De vrouw heeft verklaard dat zij niet op de hoogte is van een echtscheidingsprocedure te Marokko. Voorts heeft zij aangevoerd dat de kinderen nooit in Marokko naar school zijn gegaan en dat in Marokko eerst vanaf zes jaar de leerplicht geldt. Ten slotte heeft zij aangevoerd dat de man en de kinderen nooit in Marokko hebben gewoond en dat de man een schoonmaakbedrijf heeft in Nederland. 2.4. De rechtbank stelt vast dat de vrouw zich 2004 in Nederland heeft gevestigd, alwaar de man toen al woonde, dat de kinderen van partijen in Nederland zijn geboren en zij zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit hebben alsmede dat de man en de kinderen volgens de Gemeentelijke Basis Administratie in Nederland staan ingeschreven. Voorts stelt de rechtbank vast dat partijen hun stellingen aangaande de gewone verblijfplaats van de kinderen niet met nadere stukken hebben onderbouwd. Rechtsmacht 2.5. Met betrekking tot het geschil omtrent de rechtsmacht van de Nederlandse rechter overweegt de rechtbank als volgt. Uitgaande van de stelling van de vrouw dat de man woonplaats heeft in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op grond van artikel 2 van de in dat geval toepasselijke Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder te noemen: EEX-Verordening). Terzake het verzoek van de vrouw om toevertrouwing van de kinderen aan haar is, voor zover de vrouw stelt dat de kinderen nog in Nederland verblijven al dan niet op een voor haar onbekende plaats, de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 van de Verordening Brussel II bis bevoegd op dit verzoek te beslissen. Uitgaande van de stelling van de man dat hij en de kinderen woonplaats hebben in Marokko is de Nederlandse rechter eveneens bevoegd van voornoemde verzoeken van de vrouw kennis te nemen en wel op grond van artikel 4 lid 2 Rv in samenhang met artikel 3 van de Verordening Brussel II bis, nu aangenomen kan worden dat de laatste huwelijksdomicilie van partijen in Nederland was en de Nederlandse rechter aldus bevoegd is in de echtscheidingsprocedure. Met betrekking tot de door de man opgeworpen exceptio litispendentie overweegt de rechtbank dat de man niet heeft gesteld dat in Marokko een voorlopige voorzieningenprocedure met betrekking tot de toevertrouwing van de kinderen aanhangig is. Evenmin heeft hij gesteld dat in Marokko een voorlopige voorzieningenprocedure met betrekking tot kinderalimentatie aanhangig is gemaakt. Van litispendentie is derhalve geen sprake. De omstandigheid dat de man in Marokko een echtscheidingsprocedure aanhangig heeft gemaakt waaruit naar de rechtbank aanneemt volgt dat de man in de hoofdzaak de exceptie litispendentie zal opwerpen, laat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter tot het treffen van voorlopige maatregelen onverlet, gelet op het bepaalde van het in dit geval toepasselijke artikel 13 Rv. Op grond van hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat aan haar rechtsmacht toekomt. Toevertrouwing en kinderalimentatie 2.6 Nu namens de man niet is gesteld dat de vrouw niet in staat is om de zorg voor [kind 1] en [kind 2] op zich te nemen en de vrouw voorts ter zitting heeft verklaard over voor de kinderen passende woonruimte te kunnen beschikken, zal de rechtbank [kind 1] en [kind 2] voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan de vrouw toevertrouwen. De man heeft voorts geen verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2], zodat dit verzoek eveneens zal worden toegewezen. 2.7 De rechtbank zal de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om het hoofdverblijf van [kind 1] en [kind 2] bij haar te bepalen, nu dit geen nevenvoorziening in de zin van artikel 1:822 Rv betreft. 3. Beslissing De rechtbank: voor de duur van het geding met ingang van heden: bepaalt dat de minderjarige kinderen [kind 1] [achternaam] en [kind 2] [achternaam] zullen worden toevertrouwd aan de vrouw; bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] op € 131,00 per kind per maand; verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om het hoofdverblijf van [kind 1] [achternaam] en [kind 2] [achternaam] bij haar te bepalen; verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. S.G.M. Buys, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van den Breemer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2009.?