
Jurisprudentie
BH2466
Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-02-11
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersVI 03/08
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-02-11
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersVI 03/08
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing van de vordering tot achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling.
De officier van justitie heeft de advocaat-generaal in december 2008 laten weten dat de originele stukken van de nieuwe strafzaak tegen veroordeelde niet meer te vinden zijn en dat een vervolging niet erg sterk zou overkomen. De advocaat-generaal trekt hieruit de conclusie dat er geen vervolging van veroordeelde meer valt te verwachten en derhalve ook geen veroordeling. Op grond van het bovenstaande en de ontkenning van verdachte, dat hij zich aan de in de vordering genoemde feiten zou hebben schuldig gemaakt, is het hof in deze fase van het onderzoek onvoldoende gebleken dat er een gerede kans is dat een strafrechter later oordelend tot een veroordeling terzake van bezit/handel in XTC-pillen zal komen. Het hof is van oordeel dat op grond van de thans voorhanden informatie niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een ernstige misdraging in de zin van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafrecht.
Uitspraak
VI-nummer: 03/08
Uitspraak: 14 januari 2009
Gerechtshof te Arnhem
Kamer als bedoeld in artikel 67 van de wet op de rechterlijke organisatie.
Het hof heeft te beslissen op de op 25 maart 2008 ingekomen vordering van de officier van justitie te Maastricht van 25 maart 2008, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:
[Veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans gedetineerd in [P.I.].
Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 14 januari 2009 gehoord de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling geheel af te wijzen.
Overwegingen
De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 5 september 2007 van de rechtbank te Maastricht opgelegde gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.
Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich, na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf, zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht, en wel door in bezit te zijn van en/of te handelen in XTC-pillen tijdens zijn verlof.
Ter terechtzitting van 20 augustus 2008 is de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden, teneinde informatie te verkrijgen over het verdere verloop van de strafzaak. Bij brief van 5 januari 2009 heeft de advocaat-generaal laten weten dat hij reeds van de politie te Heerlen het proces-verbaal had ontvangen. Dat proces-verbaal bleek niet bekend bij het arrondissementsparket te Maastricht. De officier van justitie heeft de advocaat-generaal in december 2008 laten weten dat de originele stukken niet meer te vinden zijn en dat een vervolging niet erg sterk zou overkomen. De advocaat-generaal trekt hieruit de conclusie dat er geen vervolging van veroordeelde meer valt te verwachten en derhalve ook geen veroordeling. De advocaat-generaal heeft bij die brief reeds aangekondigd dat er ter terechtzitting van 14 januari 2009 door het openbaar ministerie geconcludeerd zal worden tot afwijzing van de vordering.
Op grond van het bovenstaande en de ontkenning van verdachte, dat hij zich aan de in de vordering genoemde feiten zou hebben schuldig gemaakt, is het hof in deze fase van het onderzoek onvoldoende gebleken dat er een gerede kans is dat een strafrechter later oordelend tot een veroordeling terzake van bezit/handel in XTC-pillen zal komen. Het hof is van oordeel dat op grond van de thans voorhanden informatie niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een ernstige misdraging in de zin van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafrecht.
Op grond van het bovenstaande dient de vordering van de officier van justitie te worden afgewezen.
Toegepaste wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING:
Het hof:
- Wijst de vordering van de officier van justitie te Maastricht af.
Aldus gewezen door:
Mr J.I.M.W. Bartelds, voorzitter
mrs Y.A.J.M. van Kuijck en M.H.M. Boekhorst-Carrillo, raadsheren
in tegenwoordigheid van mr B.T.H. Janssen, griffier
en op 14 januari 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.