Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH2443

Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-02-10
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 09/494, 09/496
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Centraal-Irak / Bagdad / Definitierichtlijn
Niet in geschil is, dat verzoekster afkomstig is uit Bagdad. In het ambtsbericht Irak van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2008 (pag. 18, 19 en 20) wordt onder andere gesteld: (…) Niet is gebleken dat de situatie in Irak in positieve zin is veranderd. Met het oog op onder meer voorgaande informatie, waarnaar verzoekster verwijst, is niet uit te sluiten, dat verzoekster onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn zal kunnen vallen. Hiervoor is de beantwoording van de door de Afdeling aan het Hof gestelde prejudiciële vragen van belang. De vraag of voor de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn doorslaggevend is dat verzoeksters asielrelaas geloofwaardig is, laat zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook pas beantwoorden nadat het Hof op de door de Afdeling gestelde vragen heeft geantwoord. Voorgaande conclusie noopt tot het maken van een belangenafweging. Volgt toewijzing voorlopige voorziening.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Nevenzittingsplaats Haarlem zaaknummer: AWB 09 / 494 (voorlopige voorziening) AWB 09 / 496 (vrijheidsontneming) uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 20 januari 2009 in de zaak van: [verzoekster], geboren op [1980], van Iraakse nationaliteit, verblijvende in het [locatie], verzoekster, gemachtigde, tevens raadsman: mr. G.E. Jans, advocaat te Amsterdam, tegen: de staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: drs. F. Mountassir, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage. 1. Procesverloop 1.1 Verzoekster heeft op 1 januari 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 6 januari 2009 afgewezen. Verzoekster heeft tegen het besluit op 6 januari 2009 beroep ingesteld. 1.2 Verzoekster heeft op 6 januari 2009 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist. 1.3 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 1 januari 2009 aan verzoekster op grond van artikel 13 j° artikel 5 van de verordening (EG) nr. 562/2006 de toegang tot Nederland geweigerd de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van diezelfde datum aan haar op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vreemdelingenwet (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft bij het besluit op de asielaanvraag de vrijheidsontnemende maatregel voortgezet. Verzoekster heeft op 6 januari 2009 beroep ingesteld tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel en verzocht om schadevergoeding toe te kennen. 1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 13 januari 2009. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. 2. Overwegingen Het verzoek om een voorlopige voorziening 2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden. 2.3 Verzoekster heeft kort samengevat aangevoerd dat zij heeft te vrezen voor het Al Mehdi leger (Jays al Mahdi) omdat zij als soennitische vrouw getrouwd is met een sji'itische man. 2.4 Verweerder bestempelt verzoeksters relaas als ongeloofwaardig nu daar geen positieve overtuigingskracht van uit zou gaan. Zij komt daarom volgens verweerder niet op een der in artikel 29 Vw genoemde gronden in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Volgens verweerder strekt artikel 29, eerste lid, aanhef en sub b, Vw even ver als artikel 15, aanhef en onder c, van de Europese Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft (Definitierichtlijn). Separaat van artikel 29, eerste lid sub b, Vw kan volgens verweerder dus niet aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn getoetst worden. Zelfs indien een wijdere strekking aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn zou moeten worden gegeven, blijft volgens verweerder staande dat er sprake moet zijn van een geloofwaardig asielrelaas. Dat is hier niet het geval. Daarbij heeft verzoekster in haar individuele geval geen overtuigend bewijs geleverd dat er sprake is van een binnenlands gewapend conflict in Bagdad. 2.5 Verzoekster doet -onder andere- een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Daarbij is door haar verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank nevenzittingsplaats Arnhem van 23 december 2008 (AWB 08/42598), van 19 december 2008 (AWB 08/42598) en van deze rechtbank nevenzittingsplaats Amsterdam (AWB 08/43069). In die uitspraken wordt verwezen naar verschillende documenten zoals het ambtsbericht Irak van het ministerie van Buitenlandse Zaken van juni 2008, een rapport van Human Rights Watch van 22 september 2008, een rapport van de UNHCR van december 2007 en een rapport van de Schweitzerische Flüchtlingshilfe van 14 augustus 2008. Ter zitting heeft haar gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat uit al deze informatie naar voren komt dat in er in Bagdad een intern gewapend conflict woedt en dat verzoekster schade dreigt te lijden omdat zij is en zal worden blootgesteld aan sektarisch geweld tussen soennieten en sji'ieten. Zij is een individueel doelwit van geweld waartegen de autoriteiten haar niet kunnen beschermen. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 2.6 Ingevolge artikel 2, onder e, Definitierichtlijn komt subsidiaire bescherming toe aan een onderdaan van een derde land die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade. 2.7 Ingevolge artikel 15 Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit: a) doodstraf of executie; of b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in het land van zijn herkomst; of c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. 2.8 Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerder dat artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn geen voor verzoekster relevante meerwaarde meebrengt, omdat daaruit volgt dat de vreemdeling aannemelijk moet maken dat er in zijn of haar individuele geval sprake is van een ernstige bedreiging van het leven of de persoon en dat die toets overeenkomt met de toetsing die thans wordt verricht in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw kan niet zonder meer worden gevolgd. De reikwijdte van deze bepaling is immers nog niet duidelijk, zoals blijkt uit de door de Afdeling daarover bij uitspraak van 12 oktober 2007 (gepubliceerd in JV 2007, 531) gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Volgens jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraken van 16 november 2007, in zaak no. 200705222/1 en 20 juli 2007, in zaak no. 200608939, is artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, indien en voor zover deze bepaling een wijziging van het recht behelst, voor de desbetreffende vreemdeling slechts relevant, indien hij valt onder de reikwijdte van deze bepaling, derhalve indien hij heeft aangetoond dat in zijn land van herkomst ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van een gewapend conflict, als bedoeld in die bepaling. 2.9 Niet in geschil is, dat verzoekster afkomstig is uit Bagdad. In het ambtsbericht Irak van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2008 (pag. 18, 19 en 20) wordt onder andere gesteld: "In het algemeen kan worden gesteld, dat het geweld Multi-dimensinaal (etnisch, religieus, politiek, crimineel) en soms willekeurig is. De strijd was gedurende de verslagperiode in toenemende mate ook intrasektarisch. Het is niet altijd duidelijk in individuele gevallen of een persoon doelwit was vanwege zijn of haar (al dan niet vermoede) religie, etniciteit, werkzaamheden, inkomsten of een combinatie van factoren. Evenmin is steeds duidelijk wie verantwoordelijk was voor individuele veiligheidsincidenten. Er is in Irak sprake van etnisch en/of religieus geweld. Het overgrote deel van het sektarisch geweld bestaat uit aanslagen van soennitische extremisten en milities gericht tegen de shi'itische bevolking dan wel sji'itische extremisten en milities tegen de soennitische bevolking..." "De VN heeft tijdens deze en vorige verslagperiodes verschillende keren benadrukt, dat vooral Iraakse burgers slachtoffer zijn van het geweld..." "Het totale aantal dodelijke burgerslachtoffers als gevolg van diverse gewelddadigheden, dat in het najaar van 2007 gedaald was, steeg sterk in maart 2008, vooral als gevolg van het door de Iraakse regering ingezette offensief tegen milities in Basra en Bagdad. In mei 2008 nam dit aantal volgens officiële cijfer weer iets af." "Veel geweld wordt aan milities toegeschreven. Er bestaan in Irak tientallen gewapende milities al dan niet verbonden aan politieke en religieuze partijen en/of groeperingen dan wel aan bepaalde ministeries. Enkele grote milities zijn: het Mehdi-leger (Jaysh al Mahdi)" "Hoewel het staakt-het-vuren afgekondigd door Al Sadr formeel met zes maanden is verlengd, vonden er vanaf maart 2008 nieuwe aanslagen plaats, waarvan aannemelijk is, dat deze zijn gepleegd door leden van het Mehdi-leger. In maart 2008 vond een grootschalige operatie door Iraakse veiligheidsorganisaties plaats, met (logistieke en lucht-) steun door MNF-I, gericht tegen milities in Basra, Hilla, Amara, Al Kut en in verschillende wijken in Bagdad...Bij deze gewelddadigheden zouden tenminste 700 mensen zijn gedood". 2.10 Niet is gebleken dat de situatie in Irak in positieve zin is veranderd. Met het oog op onder meer voorgaande informatie, waarnaar verzoekster verwijst, is niet uit te sluiten, dat verzoekster onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn zal kunnen vallen. Hiervoor is de beantwoording van de door de Afdeling aan het Hof gestelde prejudiciële vragen van belang. De vraag of voor de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn doorslaggevend is dat verzoeksters asielrelaas geloofwaardig is, laat zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook pas beantwoorden nadat het Hof op de door de Afdeling gestelde vragen heeft geantwoord. 2.11 Voorgaande conclusie noopt tot het maken van een belangenafweging. Nu verzoeksters uitzetting tot onomkeerbare gevolgen kan leiden dient het belang van verzoekster te prevaleren boven het belang van verweerder om tot uitzetting over te kunnen gaan. 2.12 De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen als hierna bepaald. 2.13 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier. Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel 2.14 De voorlopige voorziening in de asielzaak is toegewezen en het asielberoep kan eerst worden behandeld als de door de Afdeling daarover bij uitspraak van 12 oktober 2007 gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zijn beantwoord. Het is bij de rechtbank niet bekend wanneer deze beantwoording zal plaats vinden. Verzoekster zal vanwege de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening niet kunnen worden uitgezet en heeft in afwachting van de behandeling van haar asielberoep geen vertrekplicht. Onder voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. 2.15 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevelen. 2.16 De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding. Er is geen grond voor het oordeel dat de oplegging en voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel op een eerder moment onrechtmatig is geworden dan het moment waarop thans de opheffing zal worden bevolen. 2.17 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte kosten. 3. Beslissing De voorzieningenrechter: 3.1 wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting van verzoekster totdat op het beroep is beslist. 3.2 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 644,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen. De rechtbank: 3.3 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel gegrond; 3.4 beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van de dag van verzending van deze uitspraak; 3.[5] wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2009, in tegenwoordigheid van A.H. de Vries, griffier. Afschrift verzonden op: Coll: Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel en het verzoek om toekenning van schadevergoeding betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.