Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH2438

Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-02-10
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 09/168, 09/165
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Herhaalde aanvraag / Ivoorkust
Herhaalde aanvraag. Definitierichtlijn. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft vermeld die kunnen afdoen aan het eerdere oordeel over de geloofwaardigheid van verzoekers identiteit en nationaliteit. Nu verzoekers gestelde identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig zijn, zijn het inmiddels ingevoerde categoriale beschermingsbeleid voor de Ivoorkust en het inmiddels in werking getreden artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen voor verzoeker relevante wijziging van het recht. Gelet op het voorgaande, is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Evenmin is sprake van een voor verzoeker relevante wijziging van het recht. Hieruit volgt dat het (bestreden) besluit van 3 januari 2009 niet door de bestuursrechter kan worden getoetst. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek voorlopige voorziening.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Nevenzittingsplaats Haarlem zaaknummer: AWB 09 / 168 (voorlopige voorziening) AWB 09 / 165 (beroep) uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 20 januari 2009 in de zaak van: [verzoeker], geboren op [1984], van Ivoriaanse nationaliteit, verblijvende in het [locatie], verzoeker, gemachtigde, tevens raadsman: mr. G.E. Jans, advocaat te Amsterdam, tegen: de staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. Mr. F. Mountassir, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage. 1. Procesverloop 1.1 Verzoeker heeft op 29 december 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 3 januari 2009 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 4 januari 2009 beroep ingesteld. 1.2 Verzoeker heeft op 4 januari 2009 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist. 1.3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 januari 2009. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. 2.3 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden. 2.4 Verzoeker heeft al eerder, op 13 maart 2000, in Nederland asiel gevraagd. Dat verzoek is op 15 december 2000, en in tweede instantie op 7 juni 2002, afgewezen. Het daartegen gerichte beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch van 16 januari 2004 ongegrond verklaard. 2.5 Verzoeker heeft van 27 november 2008 tot 10 december 2008 een gevangenisstraf ondergaan ter zake van een drugsdelict. Op 12 december 2008 heeft de Politie Rotterdam-Rijnmond de Immigratie- en Naturalisatiedienst een voorstel gedaan om verzoeker ongewenst te verklaren. 2.6 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Sinds 2004 lijdt hij aan TBC. Na de vorige beschikking is de situatie in Ivoorkust aanzienlijk verslechterd. 2.7 Verweerder werpt aan verzoeker tegen dat hij toerekenbaar geen reis- en identiteitsdocumenten heeft overgelegd. Daarnaast wordt hem tegengeworpen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde in Nederland. In de eerdere procedure is zijn identiteit als ongeloofwaardig bestempeld, zijn gestelde nationaliteit ernstig in twijfel getrokken en zijn relaas ongeloofwaardig geacht. De aangevoerde medische omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat verzoeker als vluchteling moet worden aangemerkt. In de eerste procedure is al beoordeeld of schending van art 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) aan de orde is. Het beroep op de verslechterde situatie in Ivoorkust faalt, nu niet geloofwaardig is dat verzoeker de door hem gestelde identiteit bezit. De overgelegde medische stukken doen blijken dat verzoeker tot 2004 voor TBC is behandeld. Er blijkt niet uit dat hij daarna ook nog voor TBC is behandeld. Hierop is geen beroep op artikel 3 EVRM te funderen. Aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Europese Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft (Definitierichtlijn) is al getoetst. Voorts zijn verzoekers asielrelaas en zijn gestelde identiteit niet geloofwaardig. Verzoekers verklaringen zijn niet van dien aard dat hij in aanmerking komt voor verblijf op grond van het traumatabeleid. 2.8 Verzoeker voert -kort samengevat- tegen deze beslissing aan dat hij in hem niet toerekenbare bewijsnood verkeert ten aanzien van zijn gestelde nationaliteit en identiteit en dat verweerder hem bij de vaststelling daarvan dient te helpen door een taalanalyse te doen plaatsvinden. Er doen zich in deze zaak nieuwe feiten en omstandigheden voor nu de algemene situatie in Ivoorkust sedert het vorige besluit is verslechterd. Voorts is artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn een voor verzoeker relevante wijziging van het recht. Verzoeker wordt ten onrechte uitgesloten van het voor de Ivoorkust geldende categoriale beschermingsbeleid, omdat de strafrechtelijke veroordeling die als contra-indicatie geldt, is gebaseerd op kortstondig drugsgebruik door verzoeker in verband met de beëindiging van zijn ziektekostenverzekering en de verstrekking van antidepressiva en pijnstillers. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 2.9 Uit het ne bis in idem beginsel vloeit voort dat indien na een eerder afwijzend besluit een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat laatstgenoemd besluit door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dat geldt ook indien uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen. 2.10 De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit. 2.11 In het besluit van 15 december 2000 stelt verweerder zich op het standpunt dat geen geloof kan worden gehecht aan de door verzoeker gestelde identiteit en nationaliteit en dat daarom ook geen geloof kan worden gehecht aan zijn asielrelaas. In de bezwaarfase tegen dat besluit is de twijfel over verzoekers identiteit en nationaliteit en de geloofwaardig van zijn asielrelaas blijven bestaan. Dit oordeel heeft in beroep bij de rechtbank stand gehouden. 2.12 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft vermeld die kunnen afdoen aan het eerdere oordeel over de geloofwaardigheid van verzoekers identiteit en nationaliteit. Verzoeker heeft immers ook thans geen enkel authentiek document ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit overgelegd. Het is aan verzoeker om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Verweerder is niet gehouden verzoeker de gelegenheid te bieden om zijn gestelde afkomst middels een door verweerder te organiseren taalanalyse aan te tonen. 2.13 Nu verzoekers gestelde identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig zijn, zijn het inmiddels ingevoerde categoriale beschermingsbeleid voor de Ivoorkust en het inmiddels in werking getreden artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen voor verzoeker relevante wijziging van het recht. 2.14 De enkele, niet met recente medische stukken onderbouwde, stelling van verzoeker dat hij aan TBC lijdt, vormt geen nieuw feit. 2.15 Gelet op het voorgaande is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Evenmin is sprake van een voor verzoeker relevante wijziging van het recht. Hieruit volgt dat het besluit van 3 januari 2009 niet door de bestuursrechter kan worden getoetst. 2.16 De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren. 2.17 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. 2.18 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten. 3. Beslissing De voorzieningenrechter: 3.1 verklaart het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ongegrond; 3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, tevens voorzieningenrechter, en op 20 januari 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.H. de Vries, griffier. Afschrift verzonden op : Coll: Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.