
Jurisprudentie
BH2298
Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-02-09
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4868 WWB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-02-09
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4868 WWB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bijzondere bijstand. Herhaalde aanvraag vergoeding legeskosten 2004. Verzoek om herziening: Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Vergoeding legeskosten 2005: legeskosten waren ten tijde van de aanvraag reeds voldaan.
Uitspraak
07/4868 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 juli 2007, 06/6240 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is door mr. D.P.F. Arens, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Door het College is een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2008. Voor appellant is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft het College de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor legeskosten (€ 2.435,--) verbonden aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op medische of humanitaire gronden afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaarschrift is bij besluit van 14 oktober 2004 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is geen beroep ingesteld.
1.2. Op 28 november 2005 heeft appellant een tweede aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op grond van bijzondere omstandigheden ingediend. De hieraan verbonden kosten beliepen in totaal € 1.655,--. Op 17 juli 2006 heeft appellant voor deze kosten bijzondere bijstand aangevraagd. Daarbij is tevens verzocht alsnog bijzondere bijstand toe te kennen voor de in 2004 gemaakte legeskosten.
1.3. Bij twee afzonderlijke besluiten van 1 september 2006 heeft het College de aanvragen afgewezen respectievelijk op de grond dat deze kosten niet tot de noodzakelijke bestaanskosten kunnen worden gerekend en dat over de in 2004 gemaakte kosten al eerder een afwijzend besluit is genomen.
1.4. Bij besluit van 23 november 2006 zijn de tegen de besluiten van 1 september 2006 gemaakte bezwaren, met een enigszins gewijzigde grondslag, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 23 november 2006 ingestelde beroep, met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht, gegrond verklaard, dat besluit voor zover dat betrekking had op de in 2005 gemaakte legeskosten wegens een motiveringsgebrek vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven.
3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad verwijst voor een weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen naar de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad voorts het volgende.
4.1. Ten aanzien van de in 2004 gemaakte legeskosten
4.1.1. De Raad stelt eerst vast dat het besluit van 14 oktober 2004 in rechte onaantastbaar is geworden. De rechtbank heeft de hernieuwde aanvraag om bijstand van 17 juli 2006 voor de legeskosten uit 2004 terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van dat eerder genomen besluit.
4.1.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen zodanige feiten of omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
4.1.3. Appellant heeft aangevoerd dat de medische situatie van zijn echtgenote en zijn schuldensituatie inmiddels verder zijn verslechterd. Daarbij gaat het naar het oordeel van de Raad echter niet om feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, reeds omdat deze niet zien op de periode die destijds ter beoordeling voorlag en (ook) geen ander licht werpen op de situatie ten tijde van het eerder genomen afwijzende besluit van 26 augustus 2004.
4.1.4. Evenals de rechtbank komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het College bevoegd was om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met verwijzing naar het besluit van 26 augustus 2004. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.
4.2. Ten aanzien van de in 2005 gemaakte legeskosten
4.2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB (zoals dit ten tijde in geding luidde) wordt bijstand verleend aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Naar vaste rechtspraak van de Raad vloeit uit deze bepaling voort dat in beginsel geen plaats is voor bijstandsverlening in kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien.
4.2.2. Vaststaat dat de door appellant in 2005 verschuldigde legeskosten ten tijde van de aanvraag reeds waren voldaan, zodat voor verlening van bijzondere bijstand in die kosten in beginsel geen plaats is. Van omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen, is de Raad niet gebleken. De Raad overweegt daartoe dat niet aannemelijk is geworden dat appellant, die de onderhavige nota’s al in november 2005 had ontvangen, niet vóór de betaling van de leges een aanvraag om bijzondere bijstand had kunnen indienen, mede gelet op de door de Immigratie- en Naturalisatiedienst gebruikelijk gestelde termijn van vier weken. Voorts acht de Raad van betekenis dat appellant er zelf kennelijk in geslaagd is binnen die termijn een voor hem passende oplossing voor de betaling van de leges te vinden. Bovendien is, zo in dit geval al van een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling van een uit dien hoofde ontstane schuld aan derden kan worden gesproken, in ieder geval niet gebleken van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB die bijzondere bijstandsverlening in afwijking van artikel 13, eerste lid, onderdeel f, van de WWB zouden kunnen rechtvaardigen.
4.2.3. De Raad onderschrijft derhalve, zij het op enigszins andere gronden, het oordeel van de rechtbank dat het College de gevraagde bijzondere bijstand voor de uit 2005 stammende legeskosten terecht heeft afgewezen.
4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
4.4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2009.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
OA