
Jurisprudentie
BH1930
Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-02-10
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6586 MAW + 08/1381 MAW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-02-10
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6586 MAW + 08/1381 MAW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Heeft appellant in redelijkheid kunnen besluiten betrokkene niet meer voor te dragen voor de functie van C-DTS. Geen gerechtvaardigde verwachting dat die functie aan hem zou worden toegewezen.
HD
Uitspraak
07/6586 MAW + 08/1381 MAW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Commandant Landstrijdkrachten (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 oktober 2007, 07/1259 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 15 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.J. Legein, werkzaam bij het ministerie van Defensie. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door
mr. M.A. Billiet-de Jonge, werkzaam bij de Vakbond voor Defensiepersoneel VBM/NOV.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Op 3 juli 2006 is bij de verschillende Operationele Commando’s (OPCO’s) de functie van Coördinator Defensie Topsport Selectie (C-DTS) vacant gesteld. De werkzaamheden van de C-DTS worden verricht binnen het Bureau Internationale Militaire Sport dat ressorteert onder het Commando DienstenCentra (CDC).
1.2. Betrokkene, op dat moment in de rang van majoor werkzaam als commandant Lichamelijke Opvoeding bij het [onderdeel]), heeft op 8 juli 2006 zijn belangstelling voor die functie kenbaar gemaakt. Het daarop met hem op 16 augustus 2006 gehouden sollicitatiegesprek is positief verlopen. Betrokkene kon, samen met een andere kandidaat van het [onderdeel], door naar de volgende ronde.
1.3. Op 24 augustus 2006 is vanuit het CDC opnieuw het verzoek aan de verschillende OPCO’s gedaan om kandidaten te leveren voor de functie van C-DTS. Dit keer werd gevraagd om militairen met de rang van luitenant-kolonel dan wel bevorderbare majoors. Bij besluit van 7 september 2006 is betrokkene geïnformeerd over de redenen waarom hij niet als kandidaat is aangeboden voor de functie van C-DTS. Bij besluit van 16 januari 2007 heeft appellant, na bezwaar, zijn standpunt daaromtrent gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 januari 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank was - met verwijzing naar de uitspraak van deze Raad van 17 oktober 2002, LJN AE9122, JB 2002, 372 - van oordeel dat appellant met het wijzigen van het rangniveau van de functie van C-DTS hangende de selectieprocedure en het vervolgens volstrekt uitsluiten van betrokkene van verdere deelname aan die procedure, in strijd heeft gehandeld met het beginsel van fair play.
3. Ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank heeft appellant op 22 januari 2008 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft daarbij aangegeven dat hij bij zijn standpunt blijft dat bij betrokkene op geen enkel moment de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen bestaan dat de functie van C-DTS aan hem zou worden toegewezen. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot dit nadere besluit.
4. Het geschil spitst zich, gelet op hetgeen onder 2 en 3 is weergegeven, toe op de vraag of appellant in redelijkheid heeft kunnen besluiten betrokkene niet meer voor te dragen voor de functie van C-DTS.
4.1. De Raad stelt allereerst vast dat in de vacaturetekst aan de functie van C-DTS de schaal, c.q. rang wordt verbonden van majoor/luitenant ter zee eerste klas/luitenant-kolonel. Voorts stelt de Raad vast dat de functie van C-DTS een somscore van 50 kent waardoor de rang in de rangbracket van majoor/luitenant-kolonel valt, dat het hier indicatieve rangindelingen betreft en dat de definitieve waardering van de functie van C-DTS in 2009 zal plaatsvinden. Tot slot wordt vastgesteld dat blijkens de Nota betreffende knelpuntcategorieën SBK van 15 februari 2005, kenmerk P/2005001608, voor de Koninklijke landmacht bij het militaire personeel uit oogpunt van evenwichtige bestandsopbouw als knelpuntcategorie zijn aangewezen de luitenant-kolonels en kolonels in alle functiegroepen, met uitzondering van gebrevetteerde officieren.
4.2. Uit het hernieuwde verzoek om kandidaten te leveren van 24 augustus 2006 komt naar voren dat de staatssecretaris van Defensie, die in de onderhavige selectieprocedure als laatste instantie moest instemmen met de functietoewijzing, de wens kenbaar had gemaakt om de functie van C-DTS te laten vervullen door een militair met de rang van luitenant-kolonel. De commandant van het CDC (C-CDC) heeft als vacaturehouder van de functie C-DTS die wens overgenomen en heeft aan de functie de rang van luitenant-kolonel toegekend. Gelet op artikel 3.5, aanhef en onder 3, van de Aanwijzing SG A/909, Bevoegdheden voor het vaststellen van de indelingen en de rangstoekenningen van militaire functies, van 25 januari 2006, is de Raad - anders dan betrokkene - van oordeel dat de C-CDC daartoe de bevoegdheid heeft.
4.3. Bij het bestreden besluit heeft appellant zijn beslissing gehandhaafd om betrokkene niet opnieuw bij het CDC voor de functie voor te dragen, omdat betrokkene indien hem de functie zou worden toegewezen, tot luitenant-kolonel bevorderd zou moeten worden. In het licht van de in 4.1 vermelde knelpuntennota was appellant van oordeel dat voor een bevordering geen ruimte was. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om dat oordeel voor onjuist te houden. Dat - zoals betrokkene naar voren heeft gebracht - ondanks de knelpuntennota kennelijk toch nog bevorderingen naar de rang van luitenant-kolonel plaatsvinden, hoeft naar het oordeel van de Raad niet te betekenen dat betrokkene louter om die reden bij het CDC had moeten worden voorgedragen. Immers uit de hier bedoelde knelpuntennota blijkt dat gebrevetteerde officieren - waartoe betrokkene overigens niet behoort - niet onder de knelpuntcategorie zijn gebracht en daarmee niet van bevorderingen zijn uitgesloten. Betrokkene heeft geen voorbeeld genoemd van een niet-gebrevetteerde officier die in afwijking van de knelpuntennota is bevorderd.
4.4. Na het sollicitatiegesprek van 16 augustus 2006 heeft de Commandant Bedrijfsgroep Overige Diensten (C-BGOD) betrokkene op 18 augustus 2006 omtrent het vervolg op dat gesprek telefonisch geïnformeerd. In dit telefoongesprek is betrokkene - en hij heeft dit niet betwist - door de C-BGOD meegedeeld dat hij in ieder geval niet was afgewezen, dat de sollicitatie een verre van gelopen race was, en dat er meer tijd nodig was aangezien een complicatie was opgetreden waarover op dat moment nog geen informatie gegeven kon worden. Op 22 augustus 2006 heeft de C-BGOD betrokkene andermaal telefonisch benaderd en hem meegedeeld dat de complicerende factor de gewenste rang van luitenant-kolonel betrof, dat de vraag om kandidaten terug moest worden gelegd bij de OPCO’s, en betrokkene indien hij zou worden voorgedragen in ieder geval al door de eerste gespreksronde zou zijn. In zijn e-mailbericht van 15 september 2006 aan betrokkene heeft de C-BGOD aangegeven dat betrokkene op het telefoongesprek van 22 augustus 2008 niet de verwachting kan hebben gestoeld dat hij op het punt stond om een eindgesprek te hebben met de Staatssecretaris van Defensie of dat hij “gewoon” zou worden meegenomen worden in de nieuwe sollicitatieronde.
4.5. De Raad is met appellant van oordeel dat gelet op het voorgaande niet staande kan worden gehouden dat bij betrokkene verwachtingen zijn gewekt die rechtens gehonoreerd dienen te worden. Het standpunt van betrokkene dat zowel zijn monitor, als de voorzitter van de sollicitatiecommissie gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt, kan door de Raad niet worden gevolgd, ook al aangezien die verwachtingen - wat daar overigens van zij - niet zijn gewekt door een tot functietoewijzing bevoegde autoriteit.
5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Het inleidend beroep dient ongegrond te worden verklaard. Dit brengt mee dat aan de nieuwe beslissing op bezwaar van
22 januari 2008 die ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank is genomen de grondslag is komen te ontvallen. De Raad zal dit besluit ook vernietigen.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Vernietigt het besluit van 22 januari 2008.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2009.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) M.B. de Gooijer.
HD