Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH1734

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-02-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5196 WAZ en 06/5224 WAZ
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking volledige WAZ-uitkering. De medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. De rechtbank wordt niet gevolgd in haar oordeel dat de meest fundamentele bedenkingen die de Raad indertijd tegen het CBBS heeft geformuleerd, ook nog gelden voor de nieuwe release van het CBBS.


Uitspraak

06/5196 WAZ en 06/5224 WAZ Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [Betrokkene] e/v [echtgenoot], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 juli 2006, 05/557 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: betrokkene en het Uwv Datum uitspraak: 16 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld. Ook het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Betrokkene is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. T. van der Weert. II. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene was laatstelijk administratief werkzaam als meewerkend echtgenote van een directeur grootaandeelhouder voor 20 uur per week. Op 30 september 1993 heeft betrokkene zich voor deze werkzaamheden ziek gemeld wegens whiplashklachten na een auto-ongeval. 1.2. Aan betrokkene is per 29 september 1994 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.3. Bij besluit van 4 oktober 2004 is aan betrokkene meegedeeld dat haar uitkering per 1 december 2004 wordt ingetrokken op de grond dat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. 1.4. Bij besluit van 6 april 2005 (bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene tegen het primaire besluit van 4 oktober 2004 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Aan het Uwv is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene. De rechtbank heeft tevens aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk geoordeeld. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onder verwijzing naar haar uitspraken van 13 januari 2006 (LJN AU9706 en AU9709) overwogen dat de meest fundamentele bedenkingen die de Raad tegen het CBBS heeft geuit in zijn uitspraken van 9 november 2004 ook nog gelden voor het door het Uwv naar aanleiding van die uitspraken aangepaste CBBS, de zogeheten nieuwe release van het CBBS. Daarmee is de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onvoldoende inzichtelijk, toetsbaar en verifieerbaar. 3.1. Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat met de door hem gepleegde aanpassingen aan het CBBS in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de onvolkomenheden ervan. Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het Uwv nog een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee van 1 april 2008 in het geding gebracht. 3.2. Betrokkene heeft zich wat betreft dit punt in verweer gesteld achter het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Van mening minder belastbaar te zijn dan in de FML vastgelegd, acht betrokkene zich niet in staat om de geduide functies te verrichten. 4.1. Ten aanzien van het hoger beroep van betrokkene overweegt de Raad als volgt. 4.2. Wat betreft de medische grondslag van bestreden besluit kan de Raad zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens blijkt naar het oordeel van de Raad uit de in het dossier aanwezige medische gegevens niet dat het Uwv de belastbaarheid van betrokkene heeft overschat. Daaraan voegt de Raad nog toe dat betrokkene ook in hoger beroep geen nadere medische gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat zij ten tijde in geding meer of ernstiger beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht de medische onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven. Het hoger beroep van betrokkene slaagt dan ook niet. 5.1. Met betrekking tot het hoger beroep van het Uwv overweegt de Raad als volgt. 5.2. In zijn uitspraken van 12 oktober 2006 (onder meer LJN AY9971) is de Raad tot de slotsom gekomen dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals deze zijn beschreven in zijn uitspraken van 9 november 2004 (onder meer LJN AR4716), in voldoende mate zijn opgeheven. Voorts heeft de Raad in zijn uitspraak van 1 februari 2008 (LJN BC3237) overwogen dat de rechtbank Almelo niet kan worden gevolgd in haar zienswijze - die ook in de aangevallen uitspraak tot uitdrukking is gebracht - dat het CBBS vanwege het aspect bijzondere belastingen nog steeds mank gaat aan een structurele onvolkomenheid. Voor een uitvoeriger weerlegging van het standpunt van de rechtbank Almelo zoals ingenomen in een aantal uitspraken van 13 januari 2006, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 februari 2008 (LJN BC6544). 5.3. De rechtbank kan aldus niet worden gevolgd in haar oordeel dat de meest fundamentele bedenkingen die de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 tegen het CBBS heeft geformuleerd, ook nog gelden voor de nieuwe release van het CBBS. 5.4. Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv, met de in hoger beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 1 april 2008, gelezen in samenhang met de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 april 2005 en 5 september 2005, thans genoegzaam heeft gemotiveerd dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming is met de voor betrokkene geldende beperkingen zoals weergegeven in de FML. In dit verband overweegt de Raad dat in het ter zitting van de Raad toegelichte rapport van 1 april 2008 door de bezwaararbeidsdeskundige genoegzaam is gemotiveerd dat de belasting op het item tillen in de functie van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) de belastbaarheid van betrokkene niet behoeft te overschijden. 6. De vaststelling dat het bestreden besluit eerst in hoger beroep is voorzien van een deugdelijke onderbouwing leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank, zij het op andere gronden, het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten. Daaruit volgt tevens dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij aan het Uwv is opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, niet in stand kan blijven. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. 7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- (1 punt voor het verweerschrift) voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de daarin aan het Uwv gegeven opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009. (get.) G.J.H. Doornewaard. (get.) A.C.A. Wit. KR