
Jurisprudentie
BH1659
Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-02-04
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6618 MAW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-02-04
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6618 MAW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Inhouding op salaris. Anders dan de rechtbank en de staatssecretaris is de Raad van oordeel dat in dit geval niet vaststaat dat appellant zich in de periode in geding aan zijn dienstverplichting heeft onttrokken.
Uitspraak
07/6618 MAW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 oktober 2007, 07/2974 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)
Datum uitspraak: 15 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.P. Ossentjuk, advocaat te Hoogeveen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot, werkzaam bij het ministerie van Defensie.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, sergeant der 1e klasse, was werkzaam bij [naam bataljon] te [vestingingsplaats]. Na een eerdere, niet geaccepteerde, ziekmelding per 12 juni 2006, heeft de bedrijfsarts appellant met ingang van 7 augustus 2006 ongeschikt geacht voor zijn arbeid. Tijdens een spreekuurcontact op 5 september 2006 heeft de bedrijfsarts appellant met ingang van
14 september 2006 voor 50% arbeidsgeschikt geacht. De bedrijfsarts heeft de commandant [naam bataljon] (hierna: commandant) hiervan bij brief van 8 september 2006 op de hoogte gesteld en in die brief tevens aangegeven dat appellant op 26 september 2006 op zijn spreekuur werd verwacht. Bij brief van 13 september 2006 heeft de gemachtigde van appellant zich schriftelijk tot de commandant gewend en daarbij aangegeven dat appellant zichzelf nog volledig arbeidsongeschikt vindt en dat hem door zijn psycholoog rust is voorgeschreven.
1.2. De commandant heeft appellant bij brief van 21 september 2006 opgedragen met ingang van 25 september 2006 zijn werkzaamheden te hervatten en daaraan toegevoegd dat, indien appellant hieraan geen gevolg geeft, zijn afwezigheid vanaf 14 september 2006 als ongeoorloofd wordt beschouwd. De commandant heeft appellant tevens aangezegd dat van die ongeoorloofde afwezigheid aangifte zal worden gedaan bij de Koninklijke marechaussee en dat zijn salaris zal worden ingehouden.
1.3. Appellant heeft zijn werkzaamheden op 25 september 2006 niet hervat, maar wel op 26 september 2006 het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht, die hem op dat moment volledig ongeschikt achtte voor zijn arbeid.
1.4. Bij brief van 27 oktober 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de inhouding op zijn salaris over de maand oktober 2006 van een bedrag van € 839,42. De staatssecretaris heeft bij besluit van 6 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen de inhouding, die betrekking heeft op de periode van 14 september tot en met 25 september 2006, ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. De inhouding op het salaris is gebaseerd op artikel 18 van het Inkomstenbesluit militairen. Ingevolge dit artikel heeft de militair die zich aan zijn dienstverplichtingen onttrekt, geen aanspraak op inkomsten. Anders dan de rechtbank en de staatssecretaris is de Raad van oordeel dat in dit geval niet vaststaat dat appellant zich in de periode van 14 september tot 26 september 2006 aan zijn dienstverplichting heeft onttrokken. Ingevolge artikel 2, zesde lid, van de Regeling ziek- en hersteldmelding defensiepersoneel hervat de militair geheel of gedeeltelijk zijn arbeid zodra hij daartoe in staat is of zodra hij daartoe van de commandant, na inwinning van het advies van de ARBO-dienst, de opdracht krijgt. Volgens appellant was hij in genoemde periode niet in staat zijn arbeid te verrichten. Daarvan heeft zijn gemachtigde bij brief van 13 september 2006 melding gedaan. De commandant heeft appellant pas bij brief van 21 september 2006 de opdracht verstrekt op 25 september 2006 zijn werkzaamheden te hervatten, terwijl hij ook niet het advies van de ARBO-dienst heeft ingewonnen na de melding van appellant (via zijn advocaat) dat hij op 14 september 2006 niet in staat was zijn werk weer (gedeeltelijk) te hervatten. Deze ziekmelding is derhalve ten onrechte niet medisch beoordeeld, zodat niet vaststaat of appellant zich aan zijn dienstverplichting heeft onttrokken of dat er daadwerkelijk sprake was van ziekte. De staatssecretaris heeft dan ook ten onrechte op het salaris over de maand oktober 2006 een bedrag van € 839,42 ingehouden.
3.2. De overwegingen in 3.1 leiden de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.
4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 6 maart 2007;
Draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 966,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 355,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2009.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) M.B. de Gooijer.
HD