Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH1547

Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-02-02
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200807592/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herhaalde aanvraag / Dublin-verordening / Griekenland / interim measure / geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid
De op 20 juni 2008 getroffen interim measure is niet gemotiveerd. Weliswaar heeft de advocaat van de vreemdeling ten aanzien van wie de interim measure is getroffen in een e-mailbericht aan Vluchtelingenwerk Nederland een toelichting gegeven op de situatie van de betrokken vreemdeling, maar dit biedt geen zekerheid omtrent de reden van toewijzing. Hierdoor valt niet vast te stellen of aan die interim measure, die op zichzelf slechts ziet op een tijdelijk uitstel van uitzetting en derhalve los staat van de beoordeling van een aanvraag om toelating, nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag liggen. De door de vreemdeling in eerste aanleg overgelegde brief van R. Bruin van de United Nations High Commissioner for Refugees van 1 oktober 2008, waarin staat dat de President van het EHRM sinds 14 mei 2008 in meer dan vijftig zaken een van de verdragssluitende partijen heeft verzocht hangende het onderzoek niet tot uitzetting over te gaan, geeft geen inzicht in de feiten en omstandigheden die aan die verzoeken ten grondslag hebben gelegen en evenmin in de motivering van de getroffen interim measures. Deze brief geeft daarom evenmin duidelijkheid ten aanzien van de op 20 juni 2008 getroffen interim measure. Ook de uitspraken van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, waarnaar de voorzieningenrechter verwijst, bieden deze duidelijkheid niet. De getroffen interim measure is noch op zichzelf noch door verwijzing naar daaraan ten grondslag liggende feiten of omstandigheden een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als hiervoor bedoeld.


Uitspraak

200807592/1. Datum uitspraak: 20 januari 2009 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 7 oktober 2008 in zaak nrs. 08/34487 en 08/34488 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 23 september 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 7 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. De staatssecretaris klaagt in zijn grieven, samengevat weergegeven, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de op 20 juni 2008 door de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in een andere zaak getroffen interim measure, mede gelet op de door de advocaat van de vreemdeling ten aanzien van wie de interim measure is getroffen over die zaak gegeven informatie en in het licht van hetgeen in de uitspraken van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 3 juli 2008 en 30 juli 2008 over de Griekse asielprocedure is overwogen, dient te worden aangemerkt als een novum, dat op voorhand niet is uitgesloten dat dit novum kan afdoen aan het eerdere besluit en dat de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling daarom niet heeft kunnen afwijzen onder verwijzing naar het afwijzende besluit op de eerste asielaanvraag. De staatssecretaris betoogt dat de interim measure niet is gemotiveerd. Het e-mailbericht van de advocaat van de vreemdeling in wiens zaak de interim measure is getroffen, geeft evenmin duidelijkheid omtrent de beweegredenen die aan de interim measure ten grondslag hebben gelegen. Bovendien zijn de door de vreemdeling ingeroepen omstandigheden betrokken bij de afwijzing van de eerste aanvraag en zijn zij niet precies hetzelfde als de omstandigheden die de vreemdeling, ten aanzien van wie een interim measure is getroffen, bij het EHRM naar voren heeft gebracht. 2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1; www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. 2.1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. 2.1.3. De vreemdeling heeft eerder, op 26 november 2007, een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 6 juni 2008 heeft de staatssecretaris deze aanvraag afgewezen. Het besluit van 23 september 2008 is van gelijke strekking als dat van 6 juni 2008, zodat op het tegen dat besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is. 2.1.4. De op 20 juni 2008 getroffen interim measure is niet gemotiveerd. Weliswaar heeft de advocaat van de vreemdeling ten aanzien van wie de interim measure is getroffen in een e-mailbericht aan Vluchtelingenwerk Nederland een toelichting gegeven op de situatie van de betrokken vreemdeling, maar dit biedt geen zekerheid omtrent de reden van toewijzing. Hierdoor valt niet vast te stellen of aan die interim measure, die op zichzelf slechts ziet op een tijdelijk uitstel van uitzetting en derhalve los staat van de beoordeling van een aanvraag om toelating, nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag liggen. De door de vreemdeling in eerste aanleg overgelegde brief van R. Bruin van de United Nations High Commissioner for Refugees van 1 oktober 2008, waarin staat dat de President van het EHRM sinds 14 mei 2008 in meer dan vijftig zaken een van de verdragssluitende partijen heeft verzocht hangende het onderzoek niet tot uitzetting over te gaan, geeft geen inzicht in de feiten en omstandigheden die aan die verzoeken ten grondslag hebben gelegen en evenmin in de motivering van de getroffen interim measures. Deze brief geeft daarom evenmin duidelijkheid ten aanzien van de op 20 juni 2008 getroffen interim measure. Ook de uitspraken van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, waarnaar de voorzieningenrechter verwijst, bieden deze duidelijkheid niet. De getroffen interim measure is noch op zichzelf noch door verwijzing naar daaraan ten grondslag liggende feiten of omstandigheden een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als hiervoor bedoeld. 2.1.5. Nu ook in hetgeen overigens is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is aangetoond dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45), is er voor rechterlijke toetsing van het besluit van 23 september 2008 geen plaats. 2.2. De grieven slagen. 2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 23 september 2008 alsnog ongegrond verklaren. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 7 oktober 2008 in zaak nr. 08/34487; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Van Dokkum ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2009 480. Verzonden: 20 januari 2009 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak