Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH1520

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-02-06
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.012.365.01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Omgang en ernstig nadeel daarvan voor minderjarige. Ontzegging voor de duur van twee jaar.


Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 14 januari 2009 Zaaknummer : 105.012.365.01 Rekestnummer : 1801-M-07 Rekestnr. rechtbank : 1406-05 [de vader], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. drs. J. Wouters, tegen [de moeder], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. V.J.C. Pieters. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vader is op 18 december 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Middelburg van 26 september 2007. De moeder heeft op 29 januari 2008 een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 3 december 2008 aanvullende stukken ingekomen. De raad heeft het hof bij brief van 5 december 2008 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen. Op 10 december 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de daaraan voorafgaande tussenbeschikkingen van 11 januari 2006, 10 mei 2006 en 28 februari 2007. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de na te noemen minderjarige [kind], afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de omgang tussen de vader en de minderjarige: [kind], geboren [in] 2001 te [geboorteplaats], hierna: [kind]. De vader heeft [kind] erkend. 2. De vader verzoekt de bestreden beschikking en de beschikking van 11 januari 2007 (bedoeld zal zijn 11 januari 2006) te vernietigen en opnieuw in rechte vast te stellen dat er wel omgang en contact tussen de man en [kind] kan zijn. 3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appèl dan wel het verzoek van de vader strekkende tot vaststelling van een omgangsregeling af te wijzen. 4. De vader stelt dat hij na het uiteengaan van partijen steeds nauwe betrekkingen met het gezin heeft onderhouden en tevens omgang heeft gehad met [kind]. Vanaf december 2004 heeft de moeder de omgang tussen [kind] en de vader belemmerd, omdat sprake zou zijn van een ontwikkelingsachterstand en een angststoornis bij [kind]. Deze angststoornis zou te wijten zijn aan de vader. De vader betwist dat nog immer sprake is van een angststoornis, althans dat niet gesteld kan worden dat deze aan hem is te wijten. Zo heeft de vader nimmer contact gezocht met de moeder en het gezin wanneer zij dit niet wensten. Ter zitting is door de vader gesteld dat moeder de angst voor de vader op [kind] projecteert. Dit kan echter geen contra-indicatie bieden voor omgang. De vader stelt dat juist het gebrek aan pedagogische vaardigheden van de moeder een belemmering vormt voor de opvoeding van [kind]. Aangezien de vader alleen omgang mocht hebben met [kind] in het bijzijn van de heer Dieleman van Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland, hierna ook: Jeugdzorg, heeft hij niet de mogelijkheid gekregen een band met [kind] op te bouwen, hetgeen de vader heeft gekwetst. Desondanks heeft de vader zich geconformeerd aan de hulpverlening rondom [kind] en heeft de vader ingestemd met de tussenbeschikking van 28 februari 2007 om de uitkomst van de speltherapie af te wachten alvorens een nadere omgangsregeling vast te stellen. De vader stelt zich op het standpunt dat het in het belang is van [kind] dat hij voor zijn geestelijke en lichamelijke ontwikkeling contact heeft met de vader. Er zijn geen zwaarwegende belangen, die zich verzetten tegen omgang. Temeer nu uit de bijlagen van het schrijven van 12 augustus 2007 van de advocaat van de moeder blijkt dat de moeder een intensieve vorm van begeleiding nodig heeft om adequaat voor [kind] te kunnen zorgen. 5. De moeder betwist dat er sprake was van nauwe betrekkingen tussen de vader en het gezin na het uiteengaan van partijen. Wel erkent zij dat de man ten tijde van de geboorte van [kind] een aantal dagen voor de andere kinderen heeft gezorgd. Enige jaren na de geboorte van [kind] ontstonden problemen tussen partijen. Zo gedroeg de vader zich bij het terugbrengen van [kind] na een omgangscontact erg vervelend. Na het verbreken van de omgang kwam de vader onaangekondigd langs en stelde zich op die momenten zeer dwingend op door onder andere hard op de ramen te bonzen. Hierdoor bestaat er thans binnen het gezin een grote angst voor vader. Uit psychologisch onderzoek is gebleken dat [kind] veel angsten heeft die te maken lijken te hebben met gebeurtenissen uit het verleden. Om deze reden dient er speltherapie plaats te vinden. De speltherapie die plaatsvond in 2007 is niet geslaagd omdat de bij [kind] aanwezige angsten deels reëel bleken en [kind] nog regelmatig werd geconfronteerd met de vader, omdat deze zich ophield in de woon- en leefomgeving van [kind]. [kind] laat zich nog steeds negatief uit over zijn vader en is nog altijd angstig. Zo is hij bang om alleen in een kamer achter te blijven, omdat mensen dan door het raam naar hem kunnen kijken. Thans volgt [kind] speciaal onderwijs aan de Tweern. De Tweern acht het wenselijk dat de speltherapie opnieuw wordt opgestart. Om de therapie te doen slagen is het echter noodzakelijk dat er rust en veiligheid komt voor [kind]. Een omgangsregeling dient derhalve niet te worden vastgesteld, aldus de moeder. De moeder onderbouwt deze stelling met een brief van Jeugdzorg van 2 december 2008 waarin Jeugdzorg aangeeft, dat het niet gewenst is dat aan [kind] een omgang met de vader wordt opgedrongen, die hij zelf niet wil. 6. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof echter van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat bij [kind] sprake is van angsten. Hierbij laat het hof in het midden wat de oorzaak en de in stand houdende factoren van deze angsten zijn. 7. Nu de gedragsproblematiek van [kind] de afgelopen jaren niet is afgenomen, acht het hof het in het belang van [kind] om opnieuw de speltherapie te volgen om op deze wijze te trachten de problematiek van [kind] te behandelen en weg te nemen. Door het AZZ is ten aanzien van de vorige speltherapie vastgesteld dat de angsten deels reëel waren en dat de in stand houdende factoren aan het niet slagen van de therapie hebben bijgedragen. Gelet op de in het gezin heersende spanningen gedurende de afgelopen jaren is het hof is van oordeel, dat het noodzakelijk is dat er rust komt voor [kind], zodat de speltherapie meer kans van slagen heeft en [kind] tevens toekomt aan de verwerking van zijn problematiek. 8. Het voorgaande brengt mee dat omgang thans ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [kind] en derhalve omgang tussen de vader en [kind] in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarige. Het hof stelt zich op het standpunt dat [kind] tijdens het volgen van de speltherapie en in de daaropvolgende periode gebaat is bij rust en acht het derhalve niet in het belang van [kind] dat thans een omgangsregeling wordt vastgesteld tussen de vader en [kind]. Het hof zal de vader het recht op omgang met [kind] gedurende twee jaar ontzeggen. Alleen op deze wijze komt [kind] toe aan de verwerking van zijn problematiek en kan op termijn een klimaat ontstaan waarin ruimte is voor contact tussen de vader en [kind]. 9. Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en dat zal worden beslist als na te melden. BESLISSING OP HET PRINCIPALE HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende: ontzegt de vader het recht op omgang met [kind] gedurende twee jaar met ingang van 14 januari 2009; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt. Wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Mink en Van der Kuijl, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2009.