Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH1449

Datum uitspraak2009-01-14
Datum gepubliceerd2009-02-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4578 WAO + 08/647 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om herziening van intrekking WAO-uitkering. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden dan wel van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a, eerste lid, van de WAO. Weigering aanvraag. In medische zin is sprake van een gelijk gebleven psychisch ziektebeeld.


Uitspraak

07/4578 WAO + 08/647 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2007, 06/3282 (hierna: aangevallen uitspraak I) en 12 december 2007, 07/845 (hierna: aangevallen uitspraak II) in de gedingen tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 14 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 3 december 2008. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een overzicht van de voor deze gedingen relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken I en II. De Raad volstaat hier met het volgende. 07/4578 WAO 2. Bij besluit van 27 juni 2002 heeft het Uwv appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 25 november 2002 ingetrokken. Bij besluit van 18 april 2006 heeft het Uwv appellants aanvraag van 1 november 2004 om het besluit van 27 juni 2002 te herzien en zijn verzoek van 14 december 2004 om hem op grond van artikel 43a, eerste lid, van de WAO wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid een WAO-uitkering toe te kennen, afgewezen. 3. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 3 oktober 2006 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. 4. Bij aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Ten aanzien van appellants herzieningsverzoek heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die bij het nemen van het besluit van 27 juni 2002 niet bekend waren. De rechtbank heeft in haar oordeel betrokken dat appellant ter zitting bij de rechtbank heeft bevestigd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, maar dat herziening is verzocht omdat appellant het niet eens is met de beslissing en destijds geen bezwaar heeft gemaakt. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot het besluit van 27 juni 2002 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Met betrekking tot appellants verzoek om hem met toepassing van artikel 43a, eerste lid, van de WAO wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid een WAO-uitkering toe te kennen, heeft de rechtbank – kort weergegeven – geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd en dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant niet toegenomen arbeidsongeschikt is. 5. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar hetgeen in eerdere aanleg door hem is gesteld en voorts aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een toename van de arbeidsbeperkingen van appellant. Appellant stelt daarnaast dat het Uwv bij de beoordeling is uitgegaan van verouderde gegevens en dat de aanvraag van appellant voortkwam uit toename van zijn psychische klachten nadat bij hem een hiv- en tbc-besmetting was vastgesteld. De onderzoeken waar het Uwv en de rechtbank naar verwijzen hebben, aldus appellant, geen betrekking op deze situatie. 6. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Ook in hoger beroep heeft appellant niet met aanvullende gegevens onderbouwd dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden dan wel van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a, eerste lid, van de WAO. Daartoe verwijst de Raad eveneens naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek van 2 november 2007. Hierin geeft Van Glabbeek aan dat appellant een toename van de psychische klachten, nadat bij hem een hiv- en tbc-besmetting was vastgesteld, niet nader heeft onderbouwd met objectieve feiten, bijvoorbeeld door middel van een wijziging in de voorgeschreven medicatie. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad dan ook niet tot een ander oordeel leiden. 08/647 WAO 7. Naar aanleiding van een aanvraag van 10 augustus 2006 heeft het Uwv bij besluit van 17 oktober 2006 opnieuw geweigerd om aan appellant op basis van artikel 43a, eerste lid, van de WAO wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid een WAO-uitkering toe te kennen. 8. Bij besluit van 2 maart 2007 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 17 oktober 2006 ongegrond verklaard. 9. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 2 bij aangevallen uitspraak II ongegrond verklaard. In haar uitspraak heeft de rechtbank voorop gesteld dat in deze zaak uitsluitend ter beoordeling staat de vraag of op en na 10 augustus 2006 tot 2 maart 2007 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft – voor zover hier van belang – geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd dat de psychische klachten van appellant per 10 augustus 2006 als gevolg van de tbc- en hiv-infectie niet zijn toegenomen, nu de behandelfrequentie en de medicatie ongewijzigd is en appellant dezelfde psychische klachten en beperkingen heeft als voorheen. De rechtbank is niet gebleken van medische gegevens of argumenten die aanleiding zijn de mening van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. 10. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van de tbc- en hiv-infectie. Daarbij heeft appellant benadrukt dat de toename van zijn klachten voortkomt uit dezelfde oorzaak als bedoeld in artikel 43a van de WAO, nu de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid in beide gevallen appellants psychische klachten betreft. 11. Ter beoordeling van de Raad staat of de aangevallen uitspraak II voor vernietiging dan wel voor bevestiging in aanmerking komt. Daartoe overweegt de Raad als volgt. 11.1. Blijkens een rapport van bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek van 2 april 2008 is deze van mening dat in medische zin sprake is van een gelijk gebleven psychisch ziektebeeld. De Raad kan zich hiermee verenigen. De Raad heeft in de gedingstukken overigens geen onderbouwing gevonden voor de door appellant geclaimde toegenomen medische beperkingen. 11.2. De aangevallen uitspraken I en II komen gelet op het bovenstaande voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009. (get.) T. Hoogenboom. (get.) T.J. van der Torn. KR