Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH1209

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1435 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schorsing en verstrekking lagere voorschot WAO-uitkering. Korting op en terugvordering WAO-uitkering. Schending inlichtingenverplichting. Appellant heeft zijn werkzaamheden en daaruit voortvloeiende inkomsten, in welke omvang dan ook, niet onverwijld eigener beweging aan het Uwv gemeld. Bij gebreke van betrouwbare en verifieerbare schriftelijke gegevens omtrent zijn loon laadt appelant het risico op zich dat het uitvoeringsorgaan achteraf de bedragen schattenderwijs vaststelt. Anticumulatie met terugwerkende kracht is toegestaan.


Uitspraak

07/1435 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 januari 2007, 06/2491 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. Frissart-Kallenbach, kantoorgenoot van mr. Bemelmans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema. II. OVERWEGINGEN 1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. 1.2. Appellant ontving met ingang van 16 februari 1981 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsonge- schiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij gelegenheid van een door een opsporingsfunctionaris bij de afdeling Fraude Preventie en Opsporing verricht werkgeversonderzoek bij autosloperij “[naam autosloperij]” van de heer [Z.] is volgens het daarvan op 4 februari 2005 opgemaakte rapport komen vast te staan dat appellant aldaar werkzaam was. Het Uwv heeft vervolgens nader onderzoek gedaan naar de werkzaamheden en inkomsten van appellant. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 15 maart 2005. Uit dit rapport blijkt volgens het Uwv onder meer dat appellant in de periode van 1 november 2001 tot en met 15 juli 2004 werkzaamheden heeft verricht voor de heer [Z.] en in verband daarmee loon in natura kreeg en wel iedere week een tank benzine en ook auto-onderdelen, zonder dat hij hiervan mededeling heeft gedaan aan de uitkeringsafdeling van het Uwv. Het Uwv heeft besloten om bij besluit van 21 april 2005 de betaling van de WAO-uitkering van appellant te schorsen en hem met ingang van 1 mei 2005 een (lager) voorschot te verstrekken (besluit 1). Op basis van de in het frauderapport neergelegde bevindingen heeft de arbeidsdeskundige K. van Brakel in zijn rapport van 26 mei 2005 aangenomen dat appellant in de eerdergenoemde periode vier tot vijf dagen per week, gemiddeld 40 uur per week werkzaam is geweest voor de heer [Z.]. Van Brakel heeft voorts - schattenderwijs - aangenomen dat appellant met de door hem verrichte werkzaamheden het wettelijk minimumloon heeft verdiend. Met inachtneming van deze uitgangspunten berekende Van Brakel de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over de meergenoemde periode op 45 tot 55%. Een en ander is uitgemond in een besluit van 3 juni 2005, waarbij het Uwv appellant heeft meegedeeld dat zijn WAO-uitkering in verband met inkomsten uit arbeid over de periode van 1 november 2001 tot en met 15 juli 2004 zal worden uitbetaald naar een (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% (besluit 2), alsmede een besluit van 21 juni 2005, waarbij het Uwv van appellant een bedrag van € 22.080,53 (bruto) aan over de periode van 1 november 2001 tot en met 15 juli 2004 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering terugvordert (besluit 3). 1.3. Appellant heeft tegen de besluiten 1 tot en met 3 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 11 april 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de tegen de besluiten 1 tot en met 3 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Zij heeft daartoe, in de kern weergegeven, overwogen dat appellant de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden, dat het Uwv gezien het geheel van verklaringen er in redelijkheid vanuit mocht gaan dat appellant op fulltime basis werkzaamheden heeft verricht, dat de werkzaamheden van appellant voor het bedrijf van economische betekenis waren en een aantoonbare loonwaarde hadden, dat het Uwv voor het vaststellen van de hoogte van een dergelijke vergoeding in redelijkheid het wettelijk minimumloon als uitgangspunt kon nemen en dat het Uwv terecht is overgegaan tot anticumulatie en terugvordering. Tenslotte heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de wijze waarop aan de anticumulatie- en terugvorderingsbepalingen toepassing is gegeven de rechterlijke toetsing niet zou kunnen doorstaan. 3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant in essentie dezelfde grieven als in bezwaar en eerste aanleg naar voren gebracht. Appellant verwijst naar de verklaringen van derden en betoogt dat de verklaringen zoals opgenomen in het proces-verbaal van het in 1.2 vermelde rapport werknemersfraude een eenzijdig licht werpen op de feitelijke situatie. Voorts verwijst appellant naar zijn medische situatie, zijn cognitieve vermogens en het feit dat de heer [Z.] hem een gevoel van eigenwaarde heeft gegeven. Appellant is van mening dat doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de getuigenverklaringen zoals door hem in het geding zijn gebracht, zodat geconcludeerd moet worden dat hij geen werkzaamheden heeft verricht die enige loonwaarde vertegenwoordigen. 4.1. De Raad oordeelt als volgt. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de in geding zijnde periode werkzaamheden voor de heer [Z.] heeft verricht. Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag wat de aard en omvang is geweest van die werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende inkomsten. Appellant heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat hij weliswaar veelvuldig aanwezig was op het terrein van de autosloperij maar dat sprake was van een vorm van sociale opvang welke vergelijkbaar is met een buurthuis. Appellant hing maar wat rond op het terrein van de heer [Z.], meer uit tijdverdrijf dan dat hij werkzaamheden verrichtte. De Raad kan appellant hierin echter niet volgen en is, evenals de rechtbank op de daartoe door haar gebezigde overwegingen, van oordeel dat op grond van de gedingstukken genoegzaam is komen vast te staan dat appellant in de meergenoemde periode gedurende hele dagen werkzaamheden heeft verricht voor de heer [Z.]. De Raad kent daarbij in het bijzonder betekenis toe aan de door appellant op 15 juli 2004 ten overstaan van J.W. Kuilman, opsporingsfunctionaris in dienst van het Uwv, afgelegde verklaring, onder meer inhoudend dat hij een sleutel van het toegangshek en van de deur van het kantoor had, dat hij zo’n vier tot vijf dagen in de week op het bedrijf van de heer [Z.] aanwezig was, meestal van 8 of 9 uur ’s ochtends tot 5 uur ’s middags, en daar diverse werkzaamheden verrichtte en op de zaak paste. De Raad hecht voorts waarde aan de verklaringen van [H.], [W.], [K.] en [Z.], die in hoofdlijnen met de verklaring van appellant overeenkomen. Appellant is nadien, bij afgelegde verklaringen op 17 september 2004 en 22 februari 2005 en bij gelegenheid van de op 15 december 2005 gehouden hoorzitting, gedeeltelijk van de eerdere verklaring teruggekomen. De Raad ziet evenwel geen aanleiding om aan de juistheid van de door appellant op 15 juli 2004 afgelegde verklaring te twijfelen. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat in beginsel van de juistheid van tegenover beambten belast met onderzoek naar de rechtmatigheid van uitkeringen afgelegde verklaringen mag worden afgegaan, zodat aan het intrekken daarvan of het achteraf ontkennen van het verklaarde, zeker wanneer dat niet direct nadien gebeurt, weinig betekenis kan worden toegekend. Appellant heeft zijn latere verklaringen bovendien niet gestaafd met enig (begin van) bewijs. Appellants stelling dat hij meer als tijdverdrijf dan om te werken aanwezig was op het terrein van de heer [Z.], komt de Raad in het licht van de gedingstukken niet geloofwaardig voor. Uit het dossier blijkt immers dat appellant zich bezighield met onder meer het verkopen van oude onderdelen, het verkopen van gebruikte en nieuwe banden, het af en toe verkopen van een auto en het ophalen en wegbrengen van auto’s en het “op de zaak passen”. Aan de van de zijde van appellant in geding gebrachte verklaringen van [B.] van 31 januari 2005 en 24 juli 2006, [H.] van 25 juli 2006 en [U.] van 17 juli 2006 hecht de Raad, evenals de rechtbank niet die waarde die appellant daaraan gehecht wil zien. De Raad is van oordeel dat daarmee sprake is van arbeid in de zin van artikel 44 van de WAO. 4.3. De Raad moet vervolgens vaststellen dat appellant zijn werkzaamheden en daaruit voortvloeiende inkomsten, in welke omvang dan ook, niet onverwijld eigener beweging aan het Uwv heeft gemeld. Vaste jurisprudentie van de Raad is dat het achterwege laten door een verzekerde van de op hem rustende verplichting om onverwijld eigener beweging mededeling te doen aan het bevoegde uitkeringsorgaan van (onder meer) neveninkomsten (onder meer) tot consequentie heeft dat hij, bij gebreke van betrouwbare en verifieerbare schriftelijke gegevens omtrent zijn loon (bijvoorbeeld de loonadministratie van de werkgever), het risico op zich laadt dat het uitvoeringsorgaan, zoals in casu, achteraf de bedragen schattenderwijs vaststelt. Uiteraard staat het de belanghebbende vrij om, ook achteraf, de stelling te betrekken dat die bedragen niet overeenkomen met de werkelijkheid. Die stelling zal hij dan evenwel moeten ondersteunen door het in geding brengen van ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare gegevens die in een andere richting wijzen. 4.4. In het onderhavige geval heeft appellant het Uwv op geen enkele wijze mededeling gedaan van zijn werkzaamheden en inkomsten. Appellant is bovendien nimmer gekomen met enige op zijn werkzaamheden en inkomsten betrekking hebbende gegevens van feitelijke aard. De Raad ziet dan ook onvoldoende grond om het door het Uwv geschatte bedrag voor onjuist te houden. In dit geval is bovendien genoegzaam voldaan aan het in de rechtspraak van de Raad besloten vereiste dat aan een schatting als de onderhavige voldoende onderzoek vooraf zal moeten gaan en daarbij de nodige zorgvuldigheid zal moeten worden betracht teneinde tot een vaststelling te kunnen komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert. In aanmerking nemend het aantal uren dat appellant werkzaam was, acht de Raad hem met de onderhavige schatting dat hij daarmee het wettelijk minimumloon heeft verdiend, niet tekort gedaan. 4.5. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 3 juni 2005, LJN AT7663, RSV 2005/240, en 5 november 2008, LJN BG3734, overweegt de Raad dat doel en strekking van artikel 44 van de WAO er in het algemeen niet aan in de weg staan dat aan de toepassing van dat artikel terugwerkende kracht wordt gegeven. In de regel zal immers, als met toepassing van artikel 44 van de WAO inkomsten uit arbeid worden geanticumuleerd, slechts sprake kunnen zijn van anticumulatie met terugwerkende kracht. 4.6. Voor zover appellant met haar beroepsgrond moet worden geacht een beroep te hebben gedaan op het rechtszekerheidsbeginsel, dan wel het vertrouwensbeginsel, is de Raad van oordeel dat dit niet kan slagen. Uit de voorhanden zijnde gegevens is de Raad niet gebleken van een bevoegdelijk gedane, schriftelijke, uitdrukkelijke en eenduidige toezegging, dan wel van gerechtvaardigde verwachtingen, op grond waarvan genoemde beginselen zouden meebrengen dat appellant in het voorliggende geval, in weerwil van de uit artikel 44 van de WAO voortvloeiende gehoudenheid, niet tot anticumulatie had mogen besluiten. Nu appellant het Uwv in het geheel niet op de hoogte heeft gesteld van zijn voor de heer [Z.] verrichte werkzaamheden, heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad toepassing kunnen geven aan artikel 44 van de WAO zodat de in bezwaar gehandhaafde beslissing tot anticumulatie de toetsing in rechte kan doorstaan. 4.7. Gelet op het overwogene in 4.2 tot en met 4.6 staat vast dat het Uwv aan appellant over de periode van 1 november 2001 tot en met 15 juli 2004 onverschuldigd uitkering heeft betaald. Op grond van artikel 57 van de WAO was het Uwv dan ook verplicht tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering over te gaan. De Raad stelt vast dat appellant tegen het bestreden besluit, voor zover dit strekt tot handhaving van besluit 3, in hoger beroep geen afzonderlijke grieven heeft aangevoerd. De Raad ziet ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen grond het bestreden besluit op dit punt voor onjuist te houden. Ook dit onderdeel van het bestreden besluit kan de toetsing in rechte derhalve doorstaan. 5.1. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Awb in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst. 5.2. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009. (get.) C.W.J. Schoor. (get.) R.L. Rijnen. KR