Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH1099

Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-01-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200808505/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terschelling (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij in [locatie]. Dit besluit is op 23 oktober 2008 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200808505/2. Datum uitspraak: 20 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: 1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [verzoekers sub 2], wonend te [woonplaats], verzoekers, en het college van burgemeester en wethouders van Terschelling, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terschelling (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij in [locatie]. Dit besluit is op 23 oktober 2008 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2008, en [verzoekers sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2008, beroep ingesteld. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoeker sub 1], en [verzoekers sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 6 januari 2009, waar [verzoeker sub 1] en [een der verzoekers sub 2], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Reinsma, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door A.O. Bierema en J.T. van Megen, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. De verandering waarvoor bij besluit van 14 oktober 2008 vergunning is verleend houdt onder meer in dat 15 kippen, 15 duiven, 3 ezels, 4 geiten en 5 paarden extra worden gehouden en dat 5 stuks kalf- en zoogkoeien niet meer worden gehouden. 2.3. [verzoeker sub 1] en [verzoekers sub 2] betogen dat de aan [vergunninghouder] verleende vergunning onder meer vanwege de binnen de inrichting aanwezige dieren onaanvaardbare stankhinder tot gevolg heeft. 2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de hier van toepassing zijnde Wet geurhinder en veehouderij niet aan vergunningverlening in de weg staat. Daarbij stelt het college onder meer dat wat betreft de stal waar paarden worden gehouden niet aan de vereiste afstand wordt voldaan, maar nu in de stal niet meer paarden worden gehouden dan eerder vergund noopt de Wet geurhinder en veehouderij volgens het college niet tot weigering van de vergunning. Dat de overige paarden - en ook andere dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld - zich wel in de buitenlucht op terrein binnen de inrichting bevinden, maakt dit niet anders omdat alleen de geurhinder door de geurbelasting van dierenverblijven relevant is, aldus het college. 2.3.2. Naar het oordeel van de voorzitter leent deze procedure zich niet voor de beantwoording van de vraag of de vergunning vanwege het aspect geurhinder kan worden verleend. De Afdeling zal deze vraag in de bodemprocedure moeten beantwoorden. Vast staat echter dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet uitsluiten dat meer paarden en/of andere dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld in de desbetreffende stal worden gehouden dan eerder is vergund. In dat geval neemt het aantal paarden en/of dieren van een andere diercategorie binnen de op grond van de Wet geurhinder en veehouderij vereiste afstand toe. Niet in geschil is dat vergunningverlening op grond van de Wet geurhinder en veehouderij in dat geval niet mogelijk is. Gelet hierop ziet de voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter ziet daarbij gelet op het verhandelde ter zitting aanleiding zich te beperken tot de bij het bestreden besluit vergunde 3 ezels en 5 extra paarden. 2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Terschelling van 14 oktober 2008, kenmerk wm.2008/2, voor zover daarbij 3 ezels en 5 extra paarden zijn vergund; II. gelast dat de gemeente Terschelling aan [verzoeker sub 1] en [verzoekers sub 2] het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [verzoeker sub 1] en € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [verzoekers sub 2] vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Van Leeuwen voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2009 373-491.