
Jurisprudentie
BH1095
Datum uitspraak2009-01-19
Datum gepubliceerd2009-01-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200809403/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2009-01-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200809403/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college) het verzoek van [verzoekers] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het zonder vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) lozen van verontreinigd water op de gemeentelijke riolering door [vergunninghoudster], afgewezen.
Uitspraak
200809403/1.
Datum uitspraak: 19 januari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],
en
het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college) het verzoek van [verzoekers] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het zonder vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) lozen van verontreinigd water op de gemeentelijke riolering door [vergunninghoudster], afgewezen.
Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bezwaar gemaakt.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2008, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 januari 2009, waar [verzoekers], waarvan [namen 2 verzoekers] in persoon, bijgestaan door mr. G.M.C. Marmelstein, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. E.W. ten Heuw, S. Walthaus en ing. W.B. van der Gaag, allen werkzaam bij het hoogheemraadschap, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 28 november 2008 heeft het college ten aanzien van een verzoek van [vergunninghoudster] besloten het zonder vergunning krachtens de Wvo lozen op de gemeentelijke riolering van verontreinigd water, dat vrijkomt bij het droog houden van een bouwput op het perceel [locatie[ te [plaats], te gedogen (hierna: het gedoogbesluit).
2.2. [verzoekers] betogen dat het gedoogbesluit in strijd is met het door het college gehanteerde gedoogbeleid, met name door het ontbreken van een ontvankelijke aanvraag om een lozingsvergunning. Door het ontbreken van deze aanvraag is er volgens hen geen concreet uitzicht op legalisatie. Het college had volgens hen dan ook bestuurlijke handhavingsmiddelen moeten toepassen.
2.2.1. Zoals de voorzitter heeft overwogen in de uitspraak van heden in zaak nr. 200809028/1) bestaat aanleiding voor het schorsen van het gedoogbesluit. Gelet op de samenhang tussen het gedoogbesluit en het bestreden besluit ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.3. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige zaak en zaak nr. 200809028/1 moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat - in verband daarmee - het bedrag dat voor de in verband met de behandeling van de verzoeken gemaakte proceskosten dient te worden vergoed, gelijkelijk over de zaken moet worden verdeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland van 19 december 2008, kenmerk 08.38258, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
II. veroordeelt het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het Hoogheemraadschap van Rijnland aan [verzoekers] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
III. gelast dat het Hoogheemraadschap van Rijnland aan [verzoekers] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. de Hek, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. De Hek
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2009
542.