Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH1094

Datum uitspraak2009-01-19
Datum gepubliceerd2009-01-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200809028/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 28 november 2008 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college) ten aanzien van het verzoek van [vergunninghoudster] besloten het zonder vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) lozen van verontreinigd water op de gemeentelijke riolering te gedogen.


Uitspraak

200809028/1. Datum uitspraak: 19 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekers], allen wonend te [woonplaats], en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 28 november 2008 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college) ten aanzien van het verzoek van [vergunninghoudster] besloten het zonder vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) lozen van verontreinigd water op de gemeentelijke riolering te gedogen. Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2008, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 januari 2009, waar [verzoekers], waarvan [namen 2 verzoekers] in persoon, bijgestaan door mr. G.M.C. Marmelstein, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. E.W. ten Heuw, S. Walthaus en ing. W.B. van der Gaag, allen werkzaam bij het hoogheemraadschap, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord. Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht. 2. Overwegingen 2.1. Het gedoogbesluit heeft betrekking op het lozen van verontreinigd bemalingswater, dat vrijkomt bij het droog houden van een bouwput op het perceel [locatie] te [plaats], op de gemeentelijke riolering. 2.2. [verzoekers] voeren aan dat, aangezien de lozing plaatsvindt op de gemeentelijke riolering, niet het college maar het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop bevoegd was het bestreden besluit te nemen. 2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat voor de lozing een vergunning krachtens de Wvo benodigd is en hij derhalve bevoegd is te besluiten of de lozing kan worden gedoogd. 2.2.2. Ter zitting is door het college gesteld dat sprake is van het lozen vanuit een bodemsanering. Gelet op de in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) gestelde algemene regels voor het lozen van grondwater bij bodemsanering, is het niet zonder meer duidelijk of voor de lozing een vergunning krachtens de Wvo benodigd is. Dit vergt nader onderzoek waarvoor, op basis van de thans voorhanden gegevens en hangende de beslissing op bezwaar, de onderhavige procedure zich niet leent. De voorzitter gaat ervan uit dat het college bij zijn heroverweging van het bestreden besluit ten behoeve van een beslissing op bezwaar zal onderzoeken of een vergunningplicht bestaat voor de lozing. Aangezien het bemalingswater via de gemeentelijke riolering wordt geloosd op een bij het Hoogheemraadschap van Rijnland in beheer zijnde waterzuiveringsinstallatie, is de voorzitter op voorhand van oordeel dat het college bevoegd is te besluiten dat de lozing kan worden gedoogd. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 2.3. [verzoekers] betogen dat het bestreden besluit in strijd is met het door het college gehanteerde gedoogbeleid. Hiertoe voeren zij aan dat door [vergunninghoudster] geen aanvraag om een lozingsvergunning is ingediend en geen sprake is van een in het gedoogbeleid bedoelde overgangssituatie. 2.3.1. Volgens het bestreden besluit heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit onder meer de notitie "Gezamenlijk beleidskader inzake het terugdringen van het gedogen van milieu-overtredingen" die bij brief van 10 oktober 1991 door de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Verkeer en Waterstaat aan de voorzitter van de Tweede Kamer is aangeboden (TK 1991-1992, 22 343), gehanteerd. In de notitie is vermeld dat slechts in overmachts- en overgangssituaties gedoogd kan worden. Tevens dienen volgens de notitie bij de procedure voor de totstandkoming van een gedoogbeschikking een aantal minimum-eisen in acht te worden genomen. Zo dient een ontvankelijke vergunningaanvraag te zijn ingediend. Ter zitting is gebleken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit door [vergunninghoudster] geen aanvraag om een lozingsvergunning was ingediend. Tevens is in het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende gemotiveerd waarom, zoals het college aanvoert, van een overgangssituatie gesproken zou kunnen worden. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat bij een door het college op 5 januari 2009 uitgevoerde controlemeting is gebleken dat de aan het gedoogbesluit verbonden lozingseisen niet in acht zijn genomen, ziet de voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, reden de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige zaak en zaak nr. 200809403/1 moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat - in verband daarmee - het bedrag dat voor de in verband met de behandeling van de verzoeken gemaakte proceskosten dient te worden vergoed, gelijkelijk over de zaken moet worden verdeeld. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland van 28 november 2008, kenmerk 08.35775, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist; II. veroordeelt het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het Hoogheemraadschap van Rijnland aan [verzoekers] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; III. gelast dat het Hoogheemraadschap van Rijnland aan [verzoekers] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. de Hek, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. De Hek Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2009 542.