Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH1091

Datum uitspraak2009-01-19
Datum gepubliceerd2009-01-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200807291/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 1 juli 2008 vastgestelde uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Van Beethovenlaan" (hierna: uitwerkingsplan).


Uitspraak

200807291/2. Datum uitspraak: 19 januari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 1 juli 2008 vastgestelde uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Van Beethovenlaan" (hierna: uitwerkingsplan). Tegen dit besluit hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] [hierna: verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 november 2008. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2008, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [verzoekers] hebben een nader stuk overgelegd. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 december 2008, waar [verzoekers], in de persoon van [verzoeker A] en bijgestaan door mr. J.J. Slump, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.A. Looij, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door Y. Smith en P. Persoon, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Het uitwerkingsplan betreft een uitwerking van het bestemmingsplan "Dorrestein 2006" (hierna: bestemmingsplan) en maakt de bouw van 24 woningen mogelijk. Het uitwerkingsgebied maakt deel uit van de woonwijk Dorrestein en ligt tussen de Van Beethovenlaan, het Verdipad en het Corellipad. 2.3. [verzoekers] stellen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan. Zij hebben om het treffen van een voorlopige voorziening verzocht in verband met mogelijk onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het uitwerkingsplan, nu op 31 oktober 2008 een bouwvergunning voor de bouw van 24 woningen in het onderhavige uitwerkingsgebied is verleend. Ter zitting is door [verzoekers] verklaard dat zij tijdig tegen voormelde bouwvergunning bezwaar zullen maken. Gelet hierop acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig, zodat in het navolgende zal worden onderzocht of aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening. 2.4. [verzoekers] voeren aan dat in strijd met de uitwerkingsregels ten onrechte niet binnen het uitwerkingsgebied in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Daarnaast stellen [verzoekers] dat, indien de voorzitter van oordeel is dat niet uitsluitend binnen het uitwerkingsgebied in de parkeerbehoefte dient te worden voorzien, het uitwerkingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, nu in de bestaande situatie reeds sprake is van een parkeerprobleem. 2.5. Het college heeft zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling of in het uitwerkingsgebied in voldoende parkeergelegenheid is voorzien, moet worden bezien of de optelsom van de parkeermogelijkheden binnen en in de directe nabijheid van het uitwerkingsgebied in overeenstemming is met de gehanteerde parkeernorm. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien en heeft het uitwerkingsplan goedgekeurd. 2.6. Ingevolge artikel 22a, tweede lid en onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan dient binnen het uitwerkingsgebied te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. 2.7. Parkeren rondom het uitwerkingsgebied vindt volgens de toelichting van het uitwerkingsplan plaats op openbaar terrein in langs- en haaksparkeervakken, op kleinschalige parkeerterreintjes en in een groot aantal buurtstraten waar langs de weg wordt geparkeerd. Uitgangspunt bij nieuwbouw is volgens de plantoelichting dat in ieder geval geen ontoelaatbare verhoging van de parkeerdruk ontstaat voor de bestaande omgeving. Omdat de parkeerdruk in het centrale deel van de wijk Dorrestein al hoog is, is volgens de plantoelichting uitgegaan van een parkeernorm van gemiddeld 1,8 parkeerplaats per woning. Verder staat in de plantoelichting dat de straten rond het uitwerkingsgebied gedeeltelijk opnieuw worden ingericht. De lange zijde van de Van Beethovenlaan wordt eenrichtingsverkeer en krijgt meer parkeerplaatsen. In de reactie op de zienswijze heeft het college van burgemeester en wethouders gesteld dat in het uitwerkingsgebied, aan de noordzijde, 12 nieuwe parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Verder worden volgens de reactie op de zienswijze in de directe nabijheid van het uitwerkingsgebied 67 parkeerplaatsen gerealiseerd. Ter zitting is door het college van burgemeester en wethouders een situatieschets overgelegd waarop deze parkeerplaatsen zijn ingetekend. 2.8. Naar het oordeel van de voorzitter volgt uit artikel 22a, tweede lid en onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan niet dat alle voor het uitwerkingsplan benodigde parkeerplaatsen aangelegd moeten worden binnen de grenzen van het uitwerkingsgebied. Hij ziet op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de beoordeling of in het uitwerkingsgebied in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien in beginsel rekening kan worden gehouden met nieuw aan te leggen parkeerplaatsen in de directe omgeving van het uitwerkingsgebied. 2.9. Niet in geschil is dat de avondsituatie maatgevend is voor de parkeerbehoefte in en rond het uitwerkingsgebied. Voor zover [verzoekers] stellen dat in de bij het uitwerkingsplan gevoegde bijlage "Parkeerbalans Van Beethovenlaan" (hierna: Parkeerbalans) bij het bepalen van de parkeerbehoefte gedurende de avonduren ten onrechte geen rekening is gehouden met activiteiten op de nabijgelegen school, wordt overwogen dat ter zitting is gebleken dat deze activiteiten niet structureel zijn zodat daarmee in redelijkheid geen rekening behoefde te worden gehouden. 2.10. Gelet op de parkeernorm van gemiddeld 1,8 parkeerplaats per woning dienen in de avonduren voor de 24 nieuwe woningen 44 parkeerplaatsen beschikbaar te zijn. Uit de Parkeerbalans volgt dat 26 parkeerplaatsen worden aangelegd ter compensatie van bestaande parkeerplaatsen die bij de herinrichting van het gebied komen te vervallen. Tevens blijkt daaruit dat in de avonduren 8 parkeerplaatsen in gebruik zijn ten behoeve van overige activiteiten. Hieruit volgt dat in de avonduren in totaal 34 van de 67 parkeerplaatsen niet beschikbaar zijn voor de voorziene woningen, zodat daarvoor 33 parkeerplaatsen resteren. Nu het uitwerkingsplan in het uitwerkingsgebied in 12 parkeerplaatsen voorziet en derhalve in totaal 45 parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de voorziene woningen, ziet de voorzitter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de parkeernorm, is voorzien in voldoende parkeergelegenheid in het uitwerkingsgebied en dat daarmee is voldaan aan de uitwerkingsvoorwaarde in artikel 22a, tweede lid en onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan. 2.11. Wat betreft het betoog van [verzoekers] dat gelet op het bestaande parkeerprobleem in de wijk Dorrestein het toevoegen van nieuwe woningen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening overweegt de voorzitter als volgt. Niet in geschil is dat in delen van de wijk Dorrestein in de directe nabijheid van het uitwerkingsgebied sprake is van een hoge tot zeer hoge parkeerdruk. Nu het uitwerkingsplan de ruime parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per woning in acht neemt, verwacht de voorzitter niet dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nieuwe woningen niet zullen leiden tot een verhoging van de reeds bestaande parkeerdruk. In dit verband overweegt de voorzitter nog dat het college van burgemeester en wethouders ter zitting heeft verklaard dat, gelet op de hoge parkeerdruk in het gebied ten noordwesten van het uitwerkingsgebied, plannen bestaan de parkeercapaciteit op de Mozartstraat te vergroten. 2.12. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd, in de bodemprocedure zal leiden tot het oordeel dat het college geen goedkeuring aan het uitwerkingsplan heeft kunnen verlenen, zodat aanleiding bestaat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Bechinka voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2009 371-432.