Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH1077

Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-01-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3225 WVG
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing verzoek om een voorziening te verstrekken in de vorm van een persoonsgebonden budget voor een scootmobiel omdat deze voor betrokkene anti-revaliderend werkt. De Raad overweegt dat een voorziening met een anti-revaliderend karakter niet als doeltreffend kan worden aangemerkt, omdat een dergelijke voorziening niet is gericht op het opheffen of verminderen van de door de gehandicapte ondervonden beperkingen. In geval een voorziening naar objectief medische maatstaf geacht moet worden voor een betrokkene anti-revaliderend te werken, is geen sprake van een verantwoorde voorziening. Nu betrokkene nog niet is uitbehandeld, is niet komen vast te staan dat het verstrekken van een scootmobiel voor haar niet anti-revaliderend werkt. Dit betekent dat de gevraagde voorziening terecht is geweigerd.


Uitspraak

07/3225 WVG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2007, 07/1380 en 07/1385 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en appellant Datum uitspraak: 15 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. dr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Voor betrokkene is verschenen mr. dr. Vermaat. II. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene, die lijdt aan fibromyalgie met een chronisch pijn- en vermoeidheids-syndroom, heeft in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) diverse aanvragen ingediend. In dit geding gaat het om haar verzoek om haar een voorziening te verstrekken in de vorm van een persoonsgebonden budget voor een scootmobiel. Op verzoek van appellant zijn onderzoeksrapporten uitgebracht door onder meer de medisch adviseurs H.M. Laane, A.A. Coster en A. van der Linde. 1.2. Met verwijzing naar de indicatierapporten van Argonaut Advies van 20 december 2004, 2 en 21 februari 2005 en van de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) van 27 april 2006 en 1 november 2006, heeft appellant de afwijzing van de aanvraag van betrokkene (opnieuw) gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 27 maart 2007, nader toegelicht middels een op 22 februari 2007 gevraagd advies van CIZ. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover thans nog van belang, - met bepalingen over het griffierecht en de proceskosten - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 maart 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), en appellant opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Op voorstel van de Raad, hebben partijen ter zitting ingestemd met de beperking van het punt van geschil tot de vraag of de voorzieningenrechter van de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit een draagkrachtige motivering ontbeert, nu de toepasselijke wet- en regelgeving geen aanknopingspunt biedt om anti-revalidabiliteit van een voorziening als weigeringsgrond te hanteren. 4.2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvg wordt onder een gehandicapte in de zin van die wet en de daarop berustende bepalingen verstaan: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten de woning verplaatsen. Naar vaste jurisprudentie moet het daarbij gaan om medische beperkingen, naar objectieve maatstaf gemeten. 4.2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wvg wordt verstaan onder vervoersvoorziening: een voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het vervoer buitenshuis ondervindt. 4.2.3. Artikel 3 van de Wvg bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders verantwoorde voorzieningen aanbiedt. Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend. 4.3. In de lijn van zijn uitspraken van onder meer 8 mei 2002, LJN: AI5841 en 6 juni 2007, LJN: BA7754, overweegt de Raad dat een voorziening met een anti-revaliderend karakter niet als doeltreffend kan worden aangemerkt, omdat een dergelijke voorziening niet is gericht op het opheffen of verminderen van de door de gehandicapte ondervonden beperkingen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a en d, van de Wvg. In geval een voorziening naar objectief medische maatstaf geacht moet worden voor een betrokkene anti-revaliderend te werken, is geen sprake van een verantwoorde voorziening in de zin van artikel 3 van de Wvg. De wet biedt derhalve in dat geval geen grondslag voor het verstrekken van een voorziening. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. 4.4. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad thans beoordelen of appellant de gevraagde voorziening terecht heeft geweigerd op de grond dat deze voor betrokkene anti-revaliderend werkt. De Raad laat hierbij in het midden of in de situatie van de betrokkene sprake is van een medisch objectiveerbare aandoening en of daaruit voor haar beperkingen voortvloeien. 4.4.1. Bij brief van 29 maart 2007 heeft CIZ aan appellant een op 22 februari 2007 gevraagd advies uitgebracht. In het daartoe door de medisch adviseur Laane opgesteld rapport van die datum is onder meer aangegeven, met verwijzing naar de daar vermelde wetenschappelijke publicaties en informatie van het Reumafonds, dat mensen met fibromyalgie wordt geadviseerd om te blijven bewegen en het bewegen verder uit te breiden. In gevallen als het onderhavige wordt (tevens) cognitieve gedragstherapie gezien als een behandeling met een wetenschappelijk bewezen effect. Aangezien betrokkene een dergelijke behandeling niet heeft gevolgd zal het verstrekken van een scootmobiel antirevaliderend werken en zal haar functioneren terechtkomen in een negatieve spiraal. De medisch adviseur van der Linde heeft in zijn rapport van 30 oktober 2006 onder meer vermeld dat betrokkene geen cognitieve gedragstherapie heeft gevolgd en dat er geen sprake is van een uitbehandelde situatie. Ook de arts Coster van Argonaut BV heeft in haar - mede op basis van huisbezoek en informatie van de huisarts tot stand gekomen - rapporten van 20 december 2004 en 21 februari 2005, gewezen op het voor betrokkene te verwachten anti-revaliderend effect van een scootmobiel. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan voormelde onderzoeksbevindingen van de medisch adviseurs van CIZ en Argonaut. 4.4.2. Het voorgaande en het verhandelde ter zitting mede in aanmerking genomen, mag er naar het oordeel van de Raad bij aandoeningen als fibromyalgie en chronisch pijn- of vermoeidheidssyndroom in situaties als die van betrokkene in het algemeen van uit worden gegaan dat het verstrekken van hulpmiddelen antirevaliderend zal werken, tenzij het tegendeel is gebleken. Dit laatste kan bijvoorbeeld blijken als wordt vastgesteld dat na voltooiing van cognitieve gedragstherapie, al dan niet in combinatie met fysiotherapie met opklimmende belasting, (nog) sprake is van beperkingen als vermeld onder 4.2.1. 4.4.3. Betrokkene acht zich uitbehandeld en ziet voor de korte(re) afstanden geen andere oplossing meer dan zich te verplaatsen met een scootmobiel (of overdekte buitenwagen). Zij heeft geen cognitieve gedragstherapie ondergaan, omdat deze therapie naar de mening van betrokkene voor haar niet zinvol is. Zij heeft hiervoor verwezen naar verklaringen van haar destijds behandelend arts, dr. R.C.W. Vermeulen, van 19 september 2006, 2 november 2006, alsmede 3 en 4 mei 2007 en naar een verklaring van haar huisarts waarin het standpunt van dr. Hagen, als reumatoloog verbonden aan het Jan Van Breemen Instituut te Amsterdam, van 7 oktober 2008 is opgenomen. 4.4.4. Vermeulen onderbouwt in algemene zin zijn standpunt dat cognitieve gedragstherapie geen bewezen therapie is bij een chronisch vermoeidheidssyndroom, waarbij hij verwijst naar een door hem gepubliceerd wetenschappelijk artikel. Hij ziet wel een rol voor psychotherapeutische begeleiding en oefentherapie, maar is van mening dat de betekenis ervan niet moet worden overschat. Hij heeft verder aangegeven dat uit een door betrokkene uitgevoerde inspanningstest blijkt dat zij een beperkte conditie heeft en onvoldoende herstel vertoont na 24 uur. De Raad kan uit deze verklaringen van Vermeulen niet concluderen dat cognitieve gedragstherapie voor betrokkene, gelet op haar aandoeningen, niet (meer) zinvol is. 4.4.5. Blijkens de verklaring van de huisarts heeft Hagen als volgt verklaard: “Naar aanleiding van anamnese en vg zien we geen ind. voor beh. in jvb, dar [daar] er een complex beeld bestaat van fibromyalgie in combinatie met vermoeidheid en tegenstrijdige belang-en spelen, sluiten we beh. contact af.” Ook uit deze verklaring kan de Raad niet afleiden dat de behandeling cognitieve gedragstherapie als zodanig voor betrokkene niet zinvol is. 4.4.6. Uit het onder 4.4.1 tot en met 4.4.5 overwogene volgt dat, nu betrokkene nog niet is uitbehandeld, niet is komen vast te staan dat het verstrekken van een scootmobiel voor haar niet anti-revaliderend werkt. Dit betekent dat appellant de gevraagde voorziening terecht heeft geweigerd nu deze in het geval van betrokkene niet doeltreffend is en niet als verantwoord kan worden aangemerkt in de zin van artikel 3 van de Wvg. 4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin is beslist over het griffierecht en de proceskosten; Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft als voorzitter en J.N.A. Bootsma en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2009. (get.) M.I. ’t Hooft. (get.) N.L.E.M. Bynoe. OA