
Jurisprudentie
BH1015
Datum uitspraak2009-01-19
Datum gepubliceerd2009-01-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3152 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3152 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag. Geschiktheid voorgehouden geselecteerde functies. Betrokkene heeft in beroep noch in hoger beroep nadere medische gegevens in het geding gebracht, op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van de in de Functionele Mogelijkheden Lijst omschreven belastbaarheid.
Korte duur medisch onderzoek. In het algemeen kunnen uit de duur van een medisch onderzoek niet zonder meer conclusies worden getrokken met betrekking tot de vraag of een dergelijk onderzoek volledig en voldoende is geweest.
Uitspraak
07/3152 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 april 2007, 07/24 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep in gesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft nog een rapportage van 23 oktober 2007 van bezwaarverzekeringsarts dr. T.J.A. Boel overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2008 waar appellant noch diens gemachtigde, zoals van tevoren aangekondigd, is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 6 december 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 12 juli 2006 gehandhaafd. Bij dit besluit heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 13 september 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
1.2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt is voor werkzaamheden, verbonden aan de door de (bezwaar)arbeidskundige geselecteerde functies, waardoor er vanaf het beoordelingsmoment een verlies aan verdienvermogen is tussen de 65 en 80%.
2. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Namens appellant worden de eerder aangevoerde gronden herhaald, waarbij benadrukt wordt dat het medisch lichamelijk onderzoek zeer summier is geweest. Tevens is appellant van mening dat de voor hem geselecteerde functies niet aansluiten bij zijn vooropleiding en werkervaring. Hierdoor ontbeert de herziening van de WAO-uitkering iedere realiteitswaarde.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Met de rechtbank en op de door haar in de aangevallen uitspraak uiteengezette gronden, is de Raad van oordeel dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn beroepsgrond dat het Uwv in zijn besluitvorming, gelet op de door appellant aangegeven klachten en gelet op de in dit geding beschikbare medische gegevens, is uitgegaan van een te hoge belastbaarheid. De Raad voegt hieraan toe dat appellant in beroep noch in hoger beroep nadere medische gegevens in het geding heeft gebracht, op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van de in de Functionele Mogelijkheden Lijst omschreven belastbaarheid. Voor zover appellant betoogt dat het medisch onderzoek slechts zeer kort heeft geduurd, wijst de Raad er, de juistheid van appellants stellingen in het midden latend, op dat in het algemeen uit de duur van een medisch onderzoek niet zonder meer conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de vraag of een dergelijk onderzoek volledig en voldoende is geweest. Dit betoog slaagt derhalve evenmin. Op grond van het bovenstaande moet worden vastgesteld dat appellants medische beperkingen niet zijn onderschat.
4.3. De Raad heeft op grond van de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 5 december 2006, waarbij is gemotiveerd waarom opleidingsniveau 2 bij het selecteren van de functies wordt gehanteerd, geen twijfel dat de hier van belang zijnde geselecteerde functies, waarvoor geen ervaring is vereist en die gewaardeerd zijn op opleidingsniveau 2, met de daaraan verbonden belasting en vereiste bekwaamheden, op de in geding zijnde datum op de arbeidsmarkt voorkwamen. Daarmee heeft de schatting voldoende realiteitswaarde. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat het Uwv het verlies aan verdiencapaciteit van appellant juist heeft vastgesteld.
5. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2009.
(get.) A.T. de Kwaasteniet.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR