Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH1004

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3342 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ongewijzigd voortzetting WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Beperkingen niet toegenomen. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat tussen de behandelend arts en de door de bezwaarverzekeringsarts ingeschakelde arts geen grote verschillen van opvatting bestaan omtrent de psychische gesteldheid van appellant.


Uitspraak

07/3342 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 mei 2007, 06/3347 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L.T.G. van Engelen, advocaat te Wageningen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J. van den Elsaker. II. OVERWEGINGEN 1. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 11 mei 2006 – waarbij het Uwv, beslissend op bezwaar, de WAO-uitkering van appellant per 12 november 2005 ongewijzigd heeft voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% – ongegrond verklaard. 2.1. Appellant heeft in hoger beroep – onder verwijzing naar hetgeen hij in bezwaar en beroep reeds naar voren heeft gebracht – herhaald dat hij in medisch opzicht meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. 2.2. Voorts heeft appellant gesteld dat de rechtbank niet op voldoende inzichtelijke wijze uiteen heeft gezet waarom het Uwv heeft kunnen afwijken van de bevindingen van de appellant behandelende psychiater R. Soylu. Naar de mening van appellant biedt het op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts door de zenuwarts C.J.F. Kemperman omtrent appellant uitgebrachte rapport hiervoor onvoldoende grondslag. 3.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in beroep aangevoerde gronden zoals die in hoger beroep zijn herhaald afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. 3.2. De Raad kan appellant niet volgen in zijn standpunt als weergegeven onder 2.2. De rechtbank heeft zijn oordeel ter zake uitgebreid gemotiveerd. De Raad kan zich ook inhoudelijk in het oordeel van de rechtbank vinden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat tussen Kemperman en Soylu geen grote verschillen van opvatting bestaan omtrent de psychische gesteldheid van appellant. Dat Soylu aan deze psychische gesteldheid andere consequenties verbindt ten aanzien van de voor appellant geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid maakt dit niet anders. Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat ter zake van de omvang van deze beperkingen terecht Kemperman is gevolgd. 3.3. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 3.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009. (get.) G. van der Wiel. (get.) A.C. Palmboom. TM