Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH1001

Datum uitspraak2009-01-19
Datum gepubliceerd2009-01-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3166 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag. Pas in de beroepsfase van een voldoende motivering voorzien. Betrokkene heeft de stelling, dat hij verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, niet onderbouwd met nadere medische stukken.


Uitspraak

07/3166 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 april 2007, 06/3306 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), Datum uitspraak: 19 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2008. Partijen zijn, zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd, niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. Bij besluit van 2 januari 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 maart 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. 1.2. Bij besluit van 15 mei 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 januari 2006 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit, maar meent dat het bestreden besluit pas in de beroepsfase van een voldoende motivering is voorzien. 3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat appellant zwaardere arbeidsbeperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen. In het bijzonder is namens appellant er op gewezen dat hij in verband met zijn knieklachten niet in staat is de door het Uwv geduide functie te verrichten. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. De Raad is van oordeel dat de medische beoordeling van de in geding zijnde schatting op een juiste en zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de mogelijkheden van appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid zoals weergegeven in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst van 8 december 2005 niet zijn overschat. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum van 3 maart 2006 om tot een verantwoord oordeel te komen. Daarbij blijkt uit het medische onderzoeksverslag van 12 januari 2006 dat een psychosociale anamnese is afgenomen en dat een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden waarbij specifiek ook de knieklachten zijn onderzocht. De Raad heeft mede in de overweging betrokken dat appellant zijn stelling, dat hij verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, niet heeft onderbouwd met nadere medische stukken. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad dan ook aanleiding voor een onderzoek door een deskundige. 4.2. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn. 5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden. 6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2009. (get.) A.T. de Kwaasteniet. (get.) M.A. van Amerongen. KR