
Jurisprudentie
BH0991
Datum uitspraak2009-01-19
Datum gepubliceerd2009-01-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2417 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2417 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Voldoende overtuigend gemotiveerd dat voor meer of zwaardere beperkingen en voor een duurbeperking geen reden bestaat. Geen redenen aanwezig om de geduide functies voor appellante te zwaar te achten.
Uitspraak
07/2417 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 maart 2007, 06/3626
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.A.M. Hartman, advocaat te Mijdrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2008. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Appellante is werkzaam geweest als cassière bij een [naam supermarkt] supermarkt en is met psychische klachten in augustus 1995 uitgevallen. Zij ontvangt sinds 16 augustus 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.3. Bij besluit van 14 maart 2006 heeft het Uwv per 10 mei 2006 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken, omdat zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden geacht. Bij besluit van 11 september 2006 zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de intrekking van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat haar mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 11 september 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit.
3. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank aangaande de medische en de arbeidskundige component van de intrekkingbeslissing. Appellante meent dat haar psychische en sociale mogelijkheden door het Uwv zijn overschat en acht zich gesteund door de informatie van de haar behandelende psychiater A.F.M. Pulles. Zij acht een onderzoek door een onafhankelijk deskundige aangewezen. Ook meent zij dat een zogenoemde duurbeperking aangewezen is. De belasting van de functies waarvoor zij geschikt wordt geacht, acht zij ook met de voor haar geformuleerde beperkingen te zwaar.
4.1. De Raad overweegt allereerst dat het bij faxbericht van 8 december 2008 aan de Raad en het Uwv gezonden stuk, door de Raad buiten beschouwing zal worden gelaten, nu het in strijd met de goede procesorde pas op de ochtend voor de zitting aan de Raad is gezonden en van de zijde van het Uwv is verzocht het stuk buiten behandeling te laten.
4.2. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. De verzekeringsartsen hebben voor appellante een aantal beperkingen geformuleerd met betrekking tot haar mogelijkheden op de terreinen ‘persoonlijk functioneren’ en ‘sociaal functioneren’ en hebben daarbij de informatie van de psychiater Pulles betrokken. Bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal heeft voor de Raad voldoende overtuigend gemotiveerd dat voor meer of zwaardere beperkingen en voor een duurbeperking geen reden bestaat. De Raad heeft daarbij meegewogen dat de psychiater Pulles weliswaar adviseert een onafhankelijk psychiater in te schakelen, maar dat hij in zijn brief van 7 november 2006 ook heeft aangegeven dat begin 2006 alleszins sprake was van een redelijke situatie bij appellante. Hij vermoedt een blijvende mindere draagkracht, maar daarmee is in de visie van de bezwaarverzekeringsarts, naar het oordeel van de Raad terecht, door het opnemen van beperkingen rekening gehouden. De Raad ziet daarom onvoldoende reden een deskundigenoordeel in te winnen.
4.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag is de Raad van oordeel, dat uitgaande van in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 13 februari 2006 opgenomen beperkingen, er geen reden is de geduide functies voor appellante te zwaar te achten. De Raad kan zich in dit verband voldoende vinden in de toelichting die de bezwaararbeidsdeskundige B. Gulmans in zijn rapportages heeft gegeven.
5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het besluit van 11 september 2006 terecht in stand heeft gelaten en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2009.
(get.) A.T. de Kwaasteniet.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR