Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0959

Datum uitspraak2009-01-13
Datum gepubliceerd2009-01-27
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4920 WWB + 07/4924 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verschoonbaarheid termijnoverschrijding in bezwaarfase? Principiële betekenis: de Raad heeft evenwel meermalen uitgesproken dat hij is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen. Geen procesbelang.


Uitspraak

07/4920 WWB 07/4924 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te Utrecht, tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 juli 2007, 07/805 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellanten en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College) I. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Bij besluiten van 27 juli 2004 en 2 mei 2005 heeft het College afwijzend beslist op de aanvragen van appellant van 5 april 2004 respectievelijk 31 maart 2005 om toekenning van een langdurigheidstoeslag ingevolge de Wet werk en bijstand. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat appellant in een periode van 60 maanden voorafgaand aan de aanvragen niet ononderbroken een inkomen heeft gehad dat niet hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Daarbij heeft het College overwogen dat nu appellante niet in het bezit was van een geldige verblijfstitel, het inkomen van appellant diende te worden afgezet tegen het belastbaar jaarloon op bijstandsniveau naar de norm voor een alleenstaande. 1.2. Appellant heeft op 21 april 2006 wederom een aanvraag ingediend om langdurigheidstoeslag. Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het College deze aanvraag eveneens afgewezen op vorenstaande grond. 1.3. Bij besluit van 27 oktober 2006 heeft het College de tegen het besluit van 23 mei 2006 gemaakte bezwaar gegrond verklaard in die zin dat aan appellanten de langdurigheidstoeslag wordt toegekend met ingang van 21 april 2006 naar de gehuwdennorm. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat gebleken is dat appellante reeds vanaf 18 maart 1998 in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning, zodat bij de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag de gehuwdennorm dient te worden gehanteerd. 1.4. Bij besluit van 5 maart 2007 heeft het College de tegen de besluiten van 27 juli 2004 en 2 mei 2005 gemaakte bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaard vanwege niet-verschoonbare termijnoverschrijding. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellanten tegen het besluit van 5 maart 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat onvoldoende redenen aanwezig zijn om het niet tijdig instellen van het bezwaar verschoonbaar te achten. 3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 3.1. Bij besluit van 3 september 2007 heeft het College afwijzend beslist op het verzoek van appellanten van 19 juli 2007 om herziening van de besluiten van 27 juli 2004 en 2 mei 2005. 3.2. Bij besluit van 20 december 2007 op bezwaar heeft het College het besluit van 3 september 2007 herroepen en bepaald dat alsnog langdurigheidstoeslag naar de gehuwdennorm over de jaren 2004 en 2005 wordt toegekend. 3.3. Vervolgens heeft het College bij besluit van 9 april 2008 aan appellanten een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente van in totaal € 142,90 toegekend. 4. De Raad overweegt het volgende. 4.1. Bij brief van 22 september 2008 heeft mr. Groeneweg meegedeeld dat het College geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellanten en de Raad verzocht ter zake een principiële uitspraak te doen. 4.2. Uit hetgeen overwogen onder 4.1 volgt dat beantwoording van de vraag of de termijnoverschrijding in de bezwaarfase verschoonbaar dient te worden geacht voor dit geding uitsluitend nog principiële betekenis heeft. De Raad heeft evenwel meermalen uitgesproken dat hij is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen. Dat brengt de Raad tot de conclusie dat appellanten geen processueel belang (meer) hebben bij een beoordeling door de Raad van de aangevallen uitspraak op dit punt. 4.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. 5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2009. (get.) Th.C. van Sloten. (get.) W. Altenaar. Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. IA