Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0930

Datum uitspraak2009-01-19
Datum gepubliceerd2009-01-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3251 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst. Afwijzing verzoek tot inschakeling van een deskundige. Bij de arbeidskundige beoordeling is het opleidingsniveau van appellante bepaald op 1. Nu aan het bestreden besluit alleen functies ten grondslag liggen met opleidingsniveau 2, slaagt de beroepsgrond van appellante dat zij niet in staat is om deze functies te vervullen. Proceskostenveroordeling.


Uitspraak

07/3251 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 april 2007, 06/3428 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 19 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante zijn aanvullend stukken ingediend, waarop het Uwv reactie heeft ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2008, waar namens appellante is verschenen mr. Hest, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hertog. II. OVERWEGINGEN 1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 23 juni 2006 (hierna: het bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 2 december 2005, strekkende tot de weigering van een uitkering aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 25 mei 2005 omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. 2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep is namens appellante het standpunt herhaald dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat verzuimd is informatie uit de behandelende sector op te vragen. Ter ondersteuning is een intakeverslag d.d. 8 mei 2006 en een brief van psychiater v.d. Voort d.d. 24 juli 2008 van GGzE in geding gebracht en is verzocht om inschakeling van een deskundige. Tenslotte zijn de gronden herhaald met betrekking tot de geschiktheid van de geselecteerde functies en is ter zitting aangevoerd dat deze functies opleidingsniveau 2 vereisen, terwijl het opleidingsniveau van appellante op 1 is bepaald. 4. De Raad is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest en ziet met de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst. Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de psychische gezondheidstoestand van appellante heeft de Raad niet tot een ander oordeel doen leiden omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de beperkingen op de datum in geding niet juist zijn vastgesteld. In dit verband onderschrijft de Raad hetgeen de bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld in zijn rapportages van 8 en 24 september 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft de gegevens van de huisarts, GGzE en het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende bij zijn oordeelsvorming betrokken en heeft overtuigend aangegeven waarom er geen aanleiding is om verdergaande beperkingen ten aanzien van de psychische belastbaarheid van appellante aan te nemen. Aldus is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is en dient het verzoek om inschakeling van een deskundige afgewezen te worden. 5. Voor wat betreft het arbeidskundige gedeelte van de schatting, stelt de Raad vast dat bij de arbeidskundige beoordeling van 25 november 2002 het opleidingsniveau van appellante op 1 is bepaald. Nu aan het bestreden besluit alleen functies ten grondslag liggen met opleidingsniveau 2, slaagt de beroepsgrond van appellante dat zij niet in staat is om deze functies te vervullen. Dat appellante de betreffende functies desondanks zou kunnen verrichten acht de Raad onwaarschijnlijk, en in dat licht onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat aan de schatting minder dan drie functies ten grondslag liggen, waardoor het bestreden besluit een voldoende arbeidskundige grondslag ontbeert. 6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het inleidend beroep is gegrond en het bestreden besluit kan niet in stand blijven. 7. Met betrekking tot de door appellante gevraagde schadevergoeding voor wettelijke rente overweegt de Raad dat dit verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door het bestreden besluit geleden renteschade. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden. 8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Deze bedragen voor appellante wegens de haar verleende rechtsbijstand € 644,-- voor de procedure bij de rechtbank en ook € 644,-- voor het hoger beroep, samen € 1.288,--. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van € 144,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2009. (get.) A.T. de Kwaasteniet. (get.) M.A. van Amerongen. KR