Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0885

Datum uitspraak2009-01-19
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3249 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking volledige WAO-uitkering. De aan appellante voorgehouden functies zijn voor haar in medisch opzicht geschikt. Juiste opleidingsniveau. Uit de uitspraak van de Raad van 7 maart 2008 (LJN BC7279) volgt, dat met de door het Uwv doorgevoerde, door de Raad in zijn uitspraken van 12 oktober 2006 (o.a. LJN AY 9971) als voldoende aangemerkte aanpassingen, de in de voornoemde uitspraak van 9 november 2004 aangekondigde vernietiging van op en na 1 juli 2005 genomen schattingsbesluiten zonder de mogelijkheid van instandlating van de rechtsgevolgen, zijn doel en betekenis heeft verloren.


Uitspraak

07/3249 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 april 2007, 06/3100 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 19 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft P.J. Smink, werkzaam bij CNV BedrijvenBond te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2008, waar appellante met bericht van afwezigheid niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts. II. OVERWEGINGEN 1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. In geding is het besluit van 28 februari 2006 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv ongegrond heeft verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 juli 2005, waarbij het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 28 september 2005 heeft ingetrokken. 2. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat uit de medische onderzoeken voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te komen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat op genoegzame en toelaatbare wijze inzichtelijk is gemaakt waarom de geduide functies voor appellante passend worden geacht, maar heeft het bestreden besluit onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Dit omdat de motivering van de geschiktheid van de functies pas in beroep is gegeven. 3. Het hoger beroep van appellante richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde, bestreden besluit in stand te houden en in verband daarmee is verwezen naar de uitspraak van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4722). Daarnaast is de beroepsgrond herhaald dat de belastbaarheid is onderschat ten aanzien van hand- en vingergebruik en dat een urenbeperking in verband met dagbehandeling was geïndiceerd. Ter ondersteuning is verwezen naar de informatie van de revalidatiearts W.C.G. Blanken. Voorts zijn arbeidskundige gronden naar voren gebracht met betrekking tot de motivering van het opleidingsniveau, het bedienen van een voetpedaal en de aspecten probleem oplossen, hoge werkdruk en deadlines/productiepieken. Tenslotte is gewezen op de aanwezigheid van een verborgen beperking in het aspect V.5: geknield of gehurkt actief zijn. 4. Evenals de rechtbank, ziet de Raad geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest, is de medische informatie van de behandelende sector, huisarts en revalidatiearts Blanken meegewogen en is in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in voldoende mate rekening gehouden met de belastbaarheid van appellante. In dit verband kan de Raad zich vinden in hetgeen de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza heeft overwogen over de onderzoeksbevindingen van voormelde revalidatiearts. Door de bezwaarverzekeringsarts is geoordeeld dat de informatie van behandelend neuroloog L.A.M. Aerden onvoldoende medische onderbouwing geeft voor het standpunt van de revalidatiearts Blanken dat er beperkingen ten aanzien van de arm- en handfunctie moeten worden aangenomen. Voor wat betreft appellantes beroepsgrond met betrekking tot de urenbeperking is de Raad niet gebleken dat appellante ten tijde van de datum hier in geding een dagbehandeling is begonnen. Vastgesteld kan worden dat de FML voldoende rekening houdt met de beperkingen en klachten van appellante. 5.1. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn, dan wel dat appellante niet over het juiste opleidingsniveau zou beschikken. In dit verband stelt de Raad vast dat de bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon genoegzaam overleg heeft gehad met de bezwaarverzekeringsarts en arbeidskundige analist. De Raad is met de rechtbank eens dat de motivering van de geschiktheid van de functies pas in beroep door voormelde bezwaararbeidsdeskundige is gegeven, in aanvulling op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige C.G. Litjens. De rechtbank heeft hieraan terecht de consequentie verbonden dat de rechtsgevolgen van het vernietigde, bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. 5.2. Anders dan appellante meent, kan aan de uitspraak van de Raad van 9 november 2004 geen grondslag worden ontleend dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en/of 7:12, eerste lid, van de Awb, vernietigd moet worden zonder dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. Uit de uitspraak van de Raad van 7 maart 2008 (LJN BC7279) volgt, dat met de door het Uwv doorgevoerde, door de Raad in zijn uitspraken van 12 oktober 2006 (o.a. LJN AY 9971) als voldoende aangemerkte aanpassingen, de in de voornoemde uitspraak van 9 november 2004 aangekondigde vernietiging van op en na 1 juli 2005 genomen schattingsbesluiten zonder de mogelijkheid van instandlating van de rechtsgevolgen, zijn doel en betekenis heeft verloren. Appellantes beroepsgrond slaagt daarom niet. 6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voorzover aangevochten. 7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2009. (get.) A.T. de Kwaasteniet. (get.) M.A. van Amerongen. KR