Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0882

Datum uitspraak2009-01-20
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/43229
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een visum kort verblijf in Nederland. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft hangende bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verzoekster stelt dat verweerder ten onrechte een visum heeft geweigerd op grond van de aan de Uitvoeringsovereenkomst bij het akkoord van Schengen en de Schengengrenscode ontleende criteria, omdat niet deze regelgeving op de aanvraag van verzoekster van toepassing is, maar Richtlijn 2004/38 EG van het Europese Parlement en de Raad betreffende onder meer het recht op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden. Verzoekster is namelijk gehuwd met een in België woonachtige Nederlander. Omdat de echtgenoot van verzoekster gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer, heeft verzoekster het recht om haar echtgenoot te vergezellen bij een familiebezoek in Nederland op grond van Richtlijn 2004/38. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 3, eerste lid, van Richtlijn 2004/38, gelet op de bewoordingen, van toepassing is op iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden, als gedefinieerd in artikel 2, onder 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen. Ingevolge artikel 5, tweede lid, laatste volzin, van Richtlijn 2004/38 wordt een visum zo spoedig mogelijk via een versnelde procedure kosteloos afgegeven. Indien Richtlijn 2004/38 van toepassing is kan, gelet op deze bepaling, niet worden gezegd dat er geen spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening. Nu de aanvraag van verzoekster er op is gericht om in Nederland bij (familie van) haar Nederlandse echtgenoot te verblijven, doet de situatie van artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn zich niet voor. Derhalve is het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder, op grond van Richtlijn 2004/38, niet gehouden is tot verlening van een visum kort verblijf aan verzoekster. Mede om deze reden is het verzoek afgewezen.


Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Nevenzittingsplaats Haarlem zaaknummer: AWB 08 / 43229 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2009 in de zaak van: [naam verzoekster], geboren op [geboortedatum] van Turkse nationaliteit, verzoekster, gemachtigde: mr. G.G.A.J. Adang, advocaat te Utrecht, tegen: de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, gemachtigde: mevrouw A.J. Hakvoort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage. 1. Procesverloop 1.1 Verzoekster heeft op 10 november 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een visum kort verblijf in Nederland. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 10 november 2008 afgewezen. Verzoekster heeft tegen het besluit op 9 december 2008 bezwaar gemaakt. 1.2 Verweerder heeft medegedeeld dat het bezwaar de werking van het besluit niet opschort. Verzoekster heeft op 9 december 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij heeft verzocht: a. verweerder op te dragen verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf voor Nederland dan wel het visum zelf te verlenen. b. Ter zitting heeft verzoekster het petitum aangevuld en verzocht om verweerder te gelasten binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, maar niet later dan 20 januari 2009, een beslissing op het bezwaar te nemen. 1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 9 januari 2008. Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Ingevolge artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum voor de toepassing van hoofdstuk 7 "Rechtsmiddelen" van de Vw gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet. 2.3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoekster niet voldoet aan de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, Schengengrenscode gestelde voorwaarden: het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfomstandigheden kunnen staven alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven. Daarnaast voldoet verzoekster niet aan de voorwaarde van het eerste lid van artikel 5, voormeld, omdat zij verblijf in Nederland beoogt voor een periode die langer duurt dan drie maanden, in verband waarmee een mvv dient te worden aangevraagd. Reden van weigering is tevens dat niet voldoende is komen vast te staan dat verzoekster tijdig zal terugkeren naar haar land van herkomst. 2.4 Verzoekster heeft zich in het bezwaarschrift en in een schrijven aan de rechtbank van 10 december 2008, samengevat en zakelijk weergegeven, op de volgende standpunten gesteld. Verzoekster stelt dat verweerder ten onrechte een visum heeft geweigerd op grond van de aan de Uitvoeringsovereenkomst bij het akkoord van Schengen en de Schengengrenscode ontleende criteria, omdat niet deze regelgeving op de aanvraag van verzoekster van toepassing is, maar Richtlijn 2004/38 EG van het Europese Parlement en de Raad betreffende onder meer het recht op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: Richtlijn 2004/38). Verzoekster is gehuwd met een in België woonachtige Nederlander. Omdat de echtgenoot van verzoekster gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer, heeft verzoekster het recht om haar echtgenoot te vergezellen bij een familiebezoek in Nederland op grond van Richtlijn 2004/38. Verzoekster verwijst in dit verband naar verschillende arresten van het Europese Hof van Justitie. Voor zover er wel van moet worden uitgegaan dat door verweerder aan de Schengengrenscode mag worden getoetst, kan de motivering van het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag niet dragen. Verzoekster beoogt geen vestiging in Nederland, zodat een mvv-aanvraag niet aan de orde is. Zij hoeft niet terug te keren naar haar land van herkomst, maar kan naar ieder land waar de toelating is gewaarborgd. Dat zijn in ieder geval België en de overige lidstaten van de Europese Unie (EU). De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 2.5 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van Richtlijn 2004/38 is deze richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden, als gedefinieerd in artikel 2, onder 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen. 2.6 Ingevolge artikel 5, tweede lid, laatste volzin, van Richtlijn 2004/38 wordt een visum zo spoedig mogelijk via een versnelde procedure kosteloos afgegeven. Indien Richtlijn 2004/38 van toepassing is kan, gelet op deze bepaling, niet worden gezegd dat er geen spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening. 2.7 Nu de aanvraag van verzoekster er op is gericht om in Nederland bij (familie van) haar Nederlandse echtgenoot te verblijven, doet de situatie van artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn zich niet voor. Derhalve is het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder op grond van Richtlijn 2004/38 niet gehouden is tot verlening van een visum kort verblijf aan verzoekster. 2.8 Het subsidiaire standpunt van verzoekster dat op grond van de Schengengrenscode het gevraagde visum niet kon worden geweigerd, omdat verzoekster geen vestiging in Nederland beoogt en omdat zij niet hoeft terug te keren naar haar land van herkomst, maar haar toelating ook in een andere EU-lidstaat is gewaarborgd, geeft de voorzieningenrechter, bij het ontbreken van aan de Richtlijn 2004/38 ontleend spoedeisend belang en een concreet spoedeisend belang, geen aanleiding voor het treffen van een vergaande voorlopige voorziening als gevraagd en hiervoor weergegeven onder 1.2, onder a. 2.9 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb dient voor toewijzing van een verzoek om een voorlopige voorziening te zijn voldaan aan het formele en materiële connexiteitsvereiste. Het vereiste van materiële connexiteit houdt in dat de gevraagde voorziening betrekking moet hebben op het connexe in bezwaar bestreden besluit. Het verzochte, zoals hiervoor weergegeven onder 1.2, onder b, houdt geen rechtstreeks verband met de uitvoering van en/of de (rechts)gevolgen van het in bezwaar bestreden besluit. Derhalve ontbreekt de vereiste materiële connexiteit en komt het onder 1.2, onder b, weergegeven verzoek niet voor toewijzing in aanmerking. 2.10 De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. 2.11 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten. 3. Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, en op 20 januari 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.S. de Groot, griffier. afschrift verzonden op: Coll: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.