Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0801

Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4636 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Strafontslag. Plichtsverzuim: Misbruik mobiele telefoon voor de zaak van echtgenote. Geen melding gemaakt van het bestaan van het bedrijf van zijn echtgenote. Lopende onderhandelingen over de verkoop van BHV aan een particulier bedrijf en daarmee de werkgelegenheid van de medewerkers in gevaar gebracht door tippen van echtgenote.


Uitspraak

07/4636 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 juni 2007, 06/2369 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-Limburg (hierna: dagelijks bestuur) Datum uitspraak: 15 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2008. Appellant is niet verschenen en het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Zippelius, advocaat te ’s Hertogenbosch. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Volstaan wordt met het volgende. 1.1. Appellant was vanaf 1 januari 1993 werkzaam bij de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-limburg (GGD ZZL), laatstelijk in de functie van [docent] bij het bureau [bureau]. Vanaf maart 2005 was hij tijdelijk voor 80% van de werktijd werkzaam als [functie] bij de afdeling [afdeling]. 1.2. In januari 2006 is gebleken dat een eenmanszaak van de echtgenote van appellant “[naam eenmanszaak]” op 13 juli 2005 is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat die zaak een klant van de GGD ZZL voor opleidingen bedrijfshulpverlening heeft overgenomen en dat in de Gouden Gids bij het bedrijf van zijn echtgenote het nummer van de mobiele telefoon van appellant bij [bureau] is vermeld. 1.3. Nadat appellant hierop was aangesproken en hem het voornemen tot het verlenen van ontslag bekend was gemaakt, is aan appellant bij besluit van 4 april 2006 met ingang van 15 april 2006 wegens plichtsverzuim disciplinair ontslag verleend met toepassing van artikel 8:13 van het Arbeidsvoorwaardenreglement gemeente Maastricht. Hierbij is overwogen dat appellant zijn positie bij het bureau [bureau] heeft misbruikt, dat hij door gebruik van het GSM-nummer van de [bureau] en vermelding daarvan in de Gouden Gids klanten van de [bureau] heeft afgetroggeld dan wel daartoe de mogelijkheden heeft geschapen en dat hij de kennis als werknemer van de [bureau] heeft misbruikt om klanten binnen te halen voor het bedrijf van zijn echtgenote. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van het dagelijks bestuur van 21 september 2006. 2. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. 3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt. 3.1. De grief dat appellant de mobiele telefoon waarvan hij het nummer heeft gebruikt voor de zaak van zijn echtgenote niet verstrekt heeft gekregen in het kader van zijn functie bij [bureau] maar door de GHOR Zuid-Limburg en dat daarmee geen sprake is van misbruik, treft geen doel. Het nummer van dit toestel was bekend bij opdrachtgevers en contacten van appellant uit hoofd van zijn functie bij het bureau [bureau] en duidelijk is dat dit nummer is misbruikt door vermelding in de Gouden Gids bij de zaak van zijn echtgenote, waarin soortgelijke activiteiten werden ontplooid. 3.2. De grief van appellant dat de rechtbank onterecht heeft aangenomen dat hij de verkoop van [bureau] aan een extern bedrijf en daarmee de werkgelegenheid van de medewerkers van [bureau], in gevaar heeft gebracht, treft evenmin doel. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat vaststaat dat appellant geen melding heeft gemaakt van het bestaan van het bedrijf van zijn echtgenote, dat hij niet heeft gereageerd op een oproep van de directeur van de GGD ZZL aan de medewerkers op 28 november 2005 tot melding van klantenwerving als hier aan de orde en dat appellant heeft toegegeven dat hij zijn echtgenote heeft getipt over een mogelijke overstap van de desbetreffende klant van [bureau]. In samenhang met hetgeen onder 3.1 is overwogen, is ook de Raad van oordeel dat appellant hiermee de lopende onderhandelingen over de verkoop van [bureau] aan een particulier bedrijf en daarmee de werkgelegenheid van de medewerkers in gevaar heeft gebracht, hetgeen ook is gebleken bij het vervolg van de onderhandelingen over de overname. Dat de overname desondanks uiteindelijk wel is doorgegaan, maakt dit niet anders. 3.3. Naar aanleiding van het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel is door het dagelijks bestuur afdoende aangetoond dat geen sprake was van in dit kader relevante gelijke gevallen. 3.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen van appellant plichtsverzuim opleveren waaraan de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is te achten. 4. Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. 5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2009. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) K. Moaddine. HD