
Jurisprudentie
BH0788
Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4533 AW + 07/4783 AW + 07/4534 AW + 07/4785 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4533 AW + 07/4783 AW + 07/4534 AW + 07/4785 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Integriteitsonderzoek. Schadevergoeding. Geen causaal verband tussen het niet doorgaan van de ondernemingsplannen van betrokkenen en het handelen vanwege de minister.
Uitspraak
07/4533 AW, 07/4783 AW, 07/4534 AW en 07/4785 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
1. [betrokkene 1], (hierna:betrokkene 1),
2. [betrokkene 2], (hierna: betrokkene 2),
3. de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2007, 06/2946 en 06/2948 (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
betrokkenen 1 en 2
en
de minister
Datum uitspraak: 15 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Betrokkenen en de minister hebben hoger beroepen ingesteld.
De minister heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 06/5322 AW en 06/5323 AW, plaatsgevonden op 4 december 2008. Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door mr. S. van Loenhout, juridisch adviseur te ’s-Gravenhage. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te ’s-Gravenhage, en drs. D. Tempelaars, werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat. De behandeling van de zaken is na de zitting gesplitst en thans wordt in deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene 1 was werkzaam als [functie] bij de unit [unit], van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Betrokkene 2 was werkzaam als [functie] bij deze unit.
1.2. Nadat de leiding van de divisie Luchtvaart omstreeks oktober 2003 bekend was geworden dat er geruchten waren over onaanvaardbaar gedrag bij het cluster [cluster], in welke geruchten beide betrokkenen centraal stonden, heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat betrokkenen bij brief van 2 april 2004 ervan op de hoogte gesteld dat een intern onderzoek hieromtrent was ingesteld met inachtneming van de “Aanschrijving onregelmatigheden ministerie van Verkeer en Waterstaat” (hierna: Aanschrijving). Van de resultaten van dit onderzoek, dat is uitgevoerd door twee medewerkers van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, is op 26 april 2004 verslag uitgebracht.
1.3. Naar aanleiding hiervan heeft het hoofd van de divisie Luchtvaart op 4 mei 2004 een memo verspreid onder de medewerkers van de divisie, waarin is vermeld dat besloten is betrokkenen vóór het ingaan van hun FPU-ontslag op 1 juni 2004 niet te laten terugkeren in hun functie en dat voor hen ook geen officieel afscheid zal worden georganiseerd. Ter toelichting hiervan is opgemerkt dat op grond van het interne onderzoek is komen vast te staan dat betrokkene 1 niet altijd integer en onafhankelijk heeft gehandeld in zijn contacten met luchtvaartorganisaties en dat betrokkene 2 in de uitoefening van zijn functie naar collega’s toe grof taalgebruik heeft gehanteerd en intimiderend gedrag heeft vertoond.
1.4. In een advies van 18 november 2004 in een door betrokkenen tegen de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat aangespannen bezwaarprocedure heeft de hoorcommissie als bedoeld in artikel 7:5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) terzijde opgemerkt dat het memo van 4 mei 2004 niet strookt met de conclusie van het rapport van het interne onderzoek dat geen bewijs is gevonden voor onregelmatigheden in de zin van de Aanschrijving. De hoorcommissie was van mening dat betrokkenen daarom op enige wijze eerherstel moest worden geboden.
1.5. Dit heeft het hoofd van de divisie Luchtvaart ertoe gebracht op 25 maart 2005 aan de medewerkers van deze divisie een memo te zenden waarin is opgenomen dat zij eraan hecht te benadrukken dat er geen bewijs is gevonden van door betrokkenen gepleegde onregelmatigheden in de zin van de Aanschrijving.
1.6. Bij brief van 2 juni 2005 hebben betrokkenen de minister verzocht de schade te vergoeden die zij stellen te hebben geleden door onrechtmatig handelen vanwege de minister. Dit handelen betreft het interne onderzoek in april 2004 en het memo van 4 mei 2004. Betrokkenen stellen hierdoor immateriële schade te hebben geleden, waarvoor zij een vergoeding van € 100.000,- verlangen. Daarnaast hebben zij naar zij stellen schade in materiële zin geleden tot een bedrag van € 504.000,-. Deze laatste schade is een gevolg van de verstoorde relatie met de inspectie Verkeer en Waterstaat waardoor het niet mogelijk is hun ambtelijke ervaring na hun ontslag per 1 juni 2004 commercieel aan te wenden.
1.7. Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Dit besluit is na door betrokkenen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 mei 2006.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van betrokkenen tegen het besluit van 19 mei 2006 (deels) gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover daarbij de bezwaren van betrokkenen tegen de weigering immateriële schadevergoeding toe te kennen ongegrond zijn verklaard. De rechtbank heeft daarbij zelf in de zaak voorzien en, met gedeeltelijke gegrondverklaring van de bezwaren, de door de minister aan betrokkene 1 te betalen vergoeding wegens aantasting van zijn eer en goede naam bepaald op € 1.500,- en die aan betrokkene 2 op € 500,-. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1. Wat het interne onderzoek betreft valt naar het oordeel van de Raad niet in te zien dat dit tot schade voor betrokkenen heeft geleid. Dit onderzoek heeft opgeleverd dat niet is aangetoond dat betrokkenen zich hebben gedragen op een wijze die niet in overeen-stemming is met de Aanschrijving. Aan geen van beide betrokkenen is dan ook een disciplinaire maatregel opgelegd. Voor zover een deel van de grieven van betrokkenen tegen het onderzoek al niet zonder enige grond zou zijn, is allerminst aannemelijk gemaakt dat in dit verband schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.
3.2. Voorts is het memo van 4 mei 2004 vanwege de minister gecorrigeerd bij het memo van 25 maart 2005. Uit de stukken en het ter zitting verhandelde is gebleken dat de minister hiermee heeft beoogd betrokkenen volledig eerherstel te verlenen. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit doel is bereikt. Uit dit laatste memo valt immers af te leiden dat betrokkenen geen enkel plichtsverzuim wordt verweten. Weliswaar heeft het memo van 25 maart 2005 geruime tijd op zich laten wachten, maar de Raad kan in dat tijdsverloop onvoldoende grond vinden voor het oordeel dat sprake is van aantasting van de eer en goede naam van betrokkenen waarvoor een schadevergoeding op haar plaats zou zijn.
3.3. Met betrekking tot de door betrokkenen gestelde materiële schade overweegt de Raad dat hetgeen betrokkenen in hoger beroep naar voren hebben gebracht een (vrijwel) letterlijke herhaling is van hetgeen zij in beroep bij de rechtbank hebben aangevoerd. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat een causaal verband tussen het niet doorgaan van de ondernemingsplannen van betrokkenen en het handelen vanwege de minister niet aannemelijk is geworden en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. Daarnaast is de Raad van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het op verzoek van betrokkenen ingestelde onderzoek naar de schade(oorzaken) zodanige mankementen vertoont dat daarop niet kan worden afgegaan.
3.4. Dit brengt mee dat het hoger beroep van de minister slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het hoger beroep van betrokkenen slaagt echter niet.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2009.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) M. van Berlo.
HD