Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0787

Datum uitspraak2009-01-15
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4267 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Opbergen van dvd-speler in klerenkast. Plichtsverzuim maar geen reden voor strafontslag. Een beduidend minder zware sanctie, waarbij te denken valt aan de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping, zou de toetsing van de Raad wel hebben kunnen doorstaan.


Uitspraak

07/4267 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2007, 06/3574 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], (hierna: betrokkene) en appellant Datum uitspraak: 15 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, mr. N.A. de Graaff en A.G.W.M. Willemse, allen werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Betrokkene was werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond, laatstelijk in de functie van [functie] bij de afdeling [afdeling]. Bij brief van 31 oktober 2005 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat uit een disciplinair onderzoek is gebleken dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim in de zin van artikel 76 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en dat het voornemen bestaat om hem op grond van dit plichtsverzuim bij wijze van disciplinaire straf ontslag te verlenen. Nadat betrokkene naar aanleiding van dit voornemen was gehoord heeft appellant bij besluit van 7 december 2005 aan betrokkene met onmiddellijke ingang strafontslag verleend op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 21 juli 2006 ongegrond verklaard. Bij dit besluit is overwogen dat betrokkene zonder opdracht of instemming van zijn leidinggevende een uit een aan het team [afdeling] ter beschikking gestelde personenwagen een dvd-speler heeft gehaald terwijl dit niet tot zijn taak behoorde en dat hij die dvd-speler vervolgens in zijn kledingkast heeft opgeborgen zonder daarvan melding te doen aan zijn leidinggevende dan wel een collega. Ter motivering van het disciplinair ontslag is overwogen dat betrokkene zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan gedrag dat strafrechtelijk kan worden gekwalificeerd als diefstal dan wel verduistering. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens betrokkene tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, met bepalingen over griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat voldoende vaststaat dat het verwijderen van losse voorwerpen uit de auto’s behoort tot het takenpakket van betrokkene, zodat van plichtsverzuim ten aanzien van die gedraging niet kan worden gesproken. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene, nu hij ervoor koos de dvd-speler in zijn kledingkast op te bergen en niet in het magazijn, zoals te doen gebruikelijk, hiervan mededeling aan zijn leidinggevende dan wel een collega had dienen te doen. De rechtbank is van oordeel dat deze gedraging plichtsverzuim oplevert. Dat betrokkene daarbij de intentie had de dvd-speler te ontvreemden is naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet komen vast te staan door middel van deugdelijk vastgestelde gegevens. De rechtbank achtte appellant op grond van voornoemd plichtsverzuim bevoegd betrokkene een disciplinaire straf op te leggen. De straf van onvoorwaardelijk ontslag achtte de rechtbank echter niet evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat betrokkene ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd door de dvd-speler in zijn eigen klerenkast op te bergen en niet in een (algemeen toegankelijk) magazijn, zonder een leidinggevende of collega daarvan op de hoogte te stellen. Gezien de zware eisen die aan de integriteit van politieambtenaren moeten worden gesteld ziet appellant in betrokkenes goede staat van dienst en de aard van zijn functie onvoldoende aanleiding om een lichtere straf op te leggen. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant het standpunt in hoger beroep in die zin genuanceerd dat appellant thans niet langer als zijn opvatting huldigt dat betrokkene tot het uit de auto halen van de dvd-speler een opdracht of toestemming behoefde. 3.2. Betrokkene heeft aangevoerd dat hem wat betreft het door de rechtbank vastgestelde plichtsverzuim een verwijt valt te maken, doch hij is van mening dat de straf van onvoor-waardelijk ontslag niet evenredig is aan dat plichtsverzuim. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 16 oktober 1997, LJN AK6390 en TAR 1998, 1) het in het ambtenarentuchtrecht niet gaat om de vaststelling van strafbare feiten. De bestuursrechter in ambtenarenzaken die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten kunnen ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. 4.2. Evenals de rechtbank is de Raad niet tot de overtuiging gekomen dat betrokkenes handelen op eigen verrijking gericht is geweest. Betrokkene heeft steeds verklaard de dvd-speler vlak voor zijn vakantie nog in veiligheid te hebben willen brengen en deze in de hectiek van dat moment in zijn klerenkast te hebben opgeborgen. Hoewel dit laatste niet juist is en betrokkene is te verwijten, nu niet goed valt in te zien waarom de speler niet in een magazijn is geplaatst, kan de Raad dit bij gebrek aan gegevens niet tot de verreikende conclusie brengen dat betrokkene zich de dvd-speler heeft willen toeëigenen. De Raad wijst in dit verband in het bijzonder nog op de omstandigheid dat de dvd-speler feitelijk steeds onder het gezagsbereik van appellant is gebleven en op het feit dat betrokkene meteen bij terugkomst van zijn vakantie, daarnaar gevraagd, openheid van zaken heeft gegeven door mee te delen dat de dvd-speler in zijn kledingkast lag. 4.3. Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat weliswaar gebleken is van enig plichtsverzuim van betrokkene, doch dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is geweest van plichtsverzuim van zodanige aard of ernst dat dit de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigde. Een beduidend minder zware sanctie, waarbij te denken valt aan de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping, zou de toetsing van de Raad wel hebben kunnen doorstaan. 5. Het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in stand moet blijven, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen. 6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad; Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de politieregio Rotterdam-Rijnmond; Bepaalt dat van de politieregio Rotterdam-Rijnmond een griffierecht van € 428,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2009. (get.) J.G. Treffers. (get.) M. van Berlo. HD