Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0779

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200808876/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / redelijk vermoeden van illegaal verblijf / ervarings- of omgevingsgegevens / woning die bekend stond als verblijfplaats van een illegale vreemdeling
Nu de vreemdeling is aangetroffen in de woning die bekend stond als de verblijfplaats van een illegale vreemdeling, kon, gelet op het beleid vermeld in paragraaf A3/3.3 van de Vc 2000, een naar objectieve maatstaven gemeten redelijk vermoeden van illegaal verblijf worden aangenomen op grond waarvan de vreemdeling op de voet van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 kon worden staandegehouden. Dat het desbetreffende adres niet bekend stond als een adres waar zich regelmatig illegale vreemdelingen bevinden en dat de gezochte vreemdeling reeds was aangetroffen, maakt dit niet anders. Grief 1 slaagt.


Uitspraak

200808876/1. Datum uitspraak: 16 januari 2009 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 2 december 2008 in zaak nr. 08/41130 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 19 november 2008 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 2 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 december 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, zijn ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. In paragraaf A3/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, is vermeld dat een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf mede op basis van ervarings- of omgevingsgegevens mag worden aangenomen bij het aantreffen van andere personen in dezelfde woning waar een met naam bekende illegale of uitgeprocedeerde vreemdeling ter uitzetting aangehouden wordt of kan worden. 2.2. De staatssecretaris betoogt in grief 1 dat de rechtbank, door te overwegen dat ten aanzien van de vreemdeling niet is gebleken van een geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf, nu het betreffende adres niet bekend stond als een adres waar zich regelmatig illegale vreemdelingen bevinden en er na het aantreffen van de gezochte vreemdeling geen grond meer aanwezig was om andere op dat adres aanwezige personen te controleren op illegaal verblijf, niet heeft onderkend dat overeenkomstig het beleid vermeld in paragraaf A3/3.3 van de Vc 2000 op basis van ervarings- of omgevingsgegevens ten aanzien van de vreemdeling een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf kon worden aangenomen en derhalve geen grond bestaat voor het oordeel dat de inbewaringstelling - vanwege een onrechtmatige daaraan voorafgegane staandehouding - van aanvang af onrechtmatig moet worden geacht. 2.2.1. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende proces verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 20 november 2008 blijkt, voor zover thans van belang, dat de verbalisanten zich op 19 november 2008 naar het aldaar opgegeven adres hebben begeven ter staandehouding van een met naam bekende, hier te lande illegaal verblijvende, vreemdeling. De verbalisanten hebben bij de betreffende woning aangebeld, waarna de gezochte vreemdeling de deur opende. Na zich te hebben gelegitimeerd en een bijzondere machtiging tot binnentreden te hebben getoond, zijn de verbalisanten vervolgens de woning binnengetreden. Terwijl één van hen sprak met de gezochte vreemdeling, zag en hoorde de andere verbalisant dat er achter hem een deur werd geopend en dat een voor hem onbekend persoon, die later de vreemdeling bleek te zijn, uit de kamer de hal inliep. Desgevraagd deelde de vreemdeling mede dat hij geen legitimatiebewijs had. 2.2.2. Nu de vreemdeling is aangetroffen in de woning die bekend stond als de verblijfplaats van een illegale vreemdeling, kon, gelet op het beleid vermeld in paragraaf A3/3.3 van de Vc 2000, een naar objectieve maatstaven gemeten redelijk vermoeden van illegaal verblijf worden aangenomen op grond waarvan de vreemdeling op de voet van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 kon worden staandegehouden. Dat het desbetreffende adres niet bekend stond als een adres waar zich regelmatig illegale vreemdelingen bevinden en dat de gezochte vreemdeling reeds was aangetroffen, maakt dit niet anders. Grief 1 slaagt. 2.3. Gelet hierop slaagt grief 2, gericht tegen de toekenning van schadevergoeding aan de vreemdeling en de veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten, evenzeer. 2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 19 november 2008 beoordelen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven. 2.5. Het betoog van de vreemdeling dat onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting wordt gewerkt en dat zicht op uitzetting ontbreekt, faalt. Uit de stukken blijkt dat de vreemdeling op 21 november 2008, twee dagen na zijn inbewaringstelling, nader is gehoord omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Voorts heeft de staatssecretaris ter zitting bij de rechtbank te kennen gegeven dat diezelfde dag een traject is opgestart om een zogeheten Dublinclaim bij België te leggen. Die claim is op 25 november 2008 naar de Belgische autoriteiten verzonden. De vreemdeling is op 24 november 2008 overgeplaatst naar het detentiecentrum Alphen aan den Rijn en, nadat het dossier aldaar was ontvangen, is op 26 november 2008 een regievoerder aangewezen. Op 27 november 2008 is met de vreemdeling een vertrekgesprek gevoerd. Gelet op de hiervoor weergegeven handelingen, die door de vreemdeling ter zitting bij de rechtbank niet zijn bestreden, bestaat geen grond voor het oordeel dat onvoldoende, op uitzetting gerichte, voortvarendheid is betracht dan wel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbrak. 2.6. Voor zover de vreemdeling voorts heeft beoogd te betogen dat het uitlezen van zijn mobiele telefoon zonder wettelijke grondslag heeft plaatsgevonden, kan dit betoog evenmin slagen, nu die omstandigheid op zichzelf niet met zich brengt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. In het onderhavige geval is niet gebleken dat de mobiele telefoon is uitgelezen om gegevens van de vreemdeling te verkrijgen in het kader van zijn uitzetting. Evenmin is gebleken dat het zicht op uitzetting afhankelijk was van de informatie, verkregen door het uitlezen van de mobiele telefoon, en zonder die informatie ontbrak. Deze handeling heeft daarom geen directe betekenis gehad voor het opleggen en voortduren van de maatregel. Er bestaan dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de maatregel van bewaring vanwege het uitlezen van de mobiele telefoon onrechtmatig is. 2.7. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding. 2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 2 december 2008 in zaak nr. 08/41130; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Van Roosmalen ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009 53-549. Verzonden: 16 januari 2009 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak