Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH0769

Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200808757/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / termijn van vijf dagen tussen verzending claim en indiening daarvan
De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat hij, door op 25 november 2008 de claim bij de Belgische autoriteiten in te dienen, onvoldoende voortvarendheid met de verwijdering van de vreemdeling heeft betracht. Niet in geschil is dat de voor het indienen van de claim benodigde originele documenten, tegelijk met eerder vermeld claimverzoek, op 20 november 2008 per post zijn verzonden en op 24 november 2008 door het Bureau Dublin zijn ontvangen. Gegeven de datum van ontvangst van de claim bij het Bureau Dublin, de administratieve verwerking daarvan en de inhoudelijke beoordeling of, in het licht van het beleid als hiervoor onder 2.1.1 weergegeven, kan worden aangenomen dat de vreemdeling toegang tot België zal worden verleend, kan de termijn van vijf dagen tussen de verzending van de claim en de indiening daarvan bij de Belgische autoriteiten in dit geval niet als zodanig lang worden aangemerkt dat geen sprake meer is van de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid. Ook indien in aanmerking wordt genomen dat de vreemdeling recentelijk, op 28 oktober 2008, al eens naar België was uitgezet en derhalve de voor de uitzetting benodigde bescheiden bij de staatssecretaris voorhanden waren, bestaat geen grond voor een ander oordeel. De grief slaagt.


Uitspraak

200808757/1. Datum uitspraak: 16 januari 2009 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 28 november 2008 in zaak nr. 08/41160 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 20 november 2008 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 28 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 december 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, zakelijk weergegeven, hij, door eerst op 25 november 2008 een claim bij de Belgische autoriteiten in te dienen, onvoldoende voortvarendheid heeft betracht, omdat, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, niet valt in te zien waarom het indienen van de claim vijf dagen, te rekenen vanaf de dag van de inbewaringstelling, heeft moeten duren, zodat de bewaring vanaf 21 november 2008 onrechtmatig is. Daartoe betoogt hij, samengevat weergegeven, dat gelet op het feit dat de voor deze claim benodigde originele documenten per post aan het Bureau Dublin worden verzonden, de termijn van drie werkdagen tussen de verzending van de claim en de indiening daarvan bij de Belgische autoriteiten niet als zodanig lang kan worden aangemerkt dat geen sprake meer is van de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid. Voorts stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat, nu de vreemdeling op grond van internationale verplichtingen moet worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten, hij gebonden is aan internationale procedurele voorschriften die noodzakelijke logistieke en administratieve handelingen vereisen evenals een inhoudelijke beoordeling, waarvoor hem een redelijke termijn dient te worden gegund. 2.1.1. Volgens paragraaf A4/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, vindt uitzetting plaats naar een land waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang wordt verleend. 2.1.2. Op 20 november 2008 is de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld. Op diezelfde dag is een claimverzoek aan het Bureau Dublin verzonden en op 25 november 2008 is een claim bij de Belgische autoriteiten ingediend. 2.1.3. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat hij, door op 25 november 2008 de claim bij de Belgische autoriteiten in te dienen, onvoldoende voortvarendheid met de verwijdering van de vreemdeling heeft betracht. Niet in geschil is dat de voor het indienen van de claim benodigde originele documenten, tegelijk met eerder vermeld claimverzoek, op 20 november 2008 per post zijn verzonden en op 24 november 2008 door het Bureau Dublin zijn ontvangen. Gegeven de datum van ontvangst van de claim bij het Bureau Dublin, de administratieve verwerking daarvan en de inhoudelijke beoordeling of, in het licht van het beleid als hiervoor onder 2.1.1 weergegeven, kan worden aangenomen dat de vreemdeling toegang tot België zal worden verleend, kan de termijn van vijf dagen tussen de verzending van de claim en de indiening daarvan bij de Belgische autoriteiten in dit geval niet als zodanig lang worden aangemerkt dat geen sprake meer is van de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid. Ook indien in aanmerking wordt genomen dat de vreemdeling recentelijk, op 28 oktober 2008, al eens naar België was uitgezet en derhalve de voor de uitzetting benodigde bescheiden bij de staatssecretaris voorhanden waren, bestaat geen grond voor een ander oordeel. De grief slaagt. 2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende. 2.3. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding. 2.4. Gelet op het vorengaande zal de Afdeling het door de vreemdeling tegen het besluit van 20 november 2008 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 28 november 2008 in zaak nr. 08/41160; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond. IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Van Roosmalen ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009 243-601. Verzonden: 16 januari 2009 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak