
Jurisprudentie
BH0759
Datum uitspraak2009-01-16
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805805/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-01-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805805/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Homoseksuelen uit Iran / ingangsdatum beleid WBV 2006/38 / brief van Human Rights Watch
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris beleidsvrijheid toekomt bij de vaststelling van het beleid dat wordt gevoerd bij de toepassing van artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Gelet hierop en in aanmerking genomen de korte periode tussen het verschijnen van genoemde brief van HRW, welke brief voor een belangrijk deel als basis heeft gediend voor het in WBV 2006/38 neergelegde beleid, en het in werking treden van dat beleid, heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de ingangsdatum die aan de invoering van het in WBV 2006/38 omschreven beleid is verbonden de toets in rechte niet kan doorstaan. De rechtbank heeft daarom ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet heeft mogen verlenen met ingang van die datum. De grief faalt.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris beleidsvrijheid toekomt bij de vaststelling van het beleid dat wordt gevoerd bij de toepassing van artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Gelet hierop en in aanmerking genomen de korte periode tussen het verschijnen van genoemde brief van HRW, welke brief voor een belangrijk deel als basis heeft gediend voor het in WBV 2006/38 neergelegde beleid, en het in werking treden van dat beleid, heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de ingangsdatum die aan de invoering van het in WBV 2006/38 omschreven beleid is verbonden de toets in rechte niet kan doorstaan. De rechtbank heeft daarom ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet heeft mogen verlenen met ingang van die datum. De grief faalt.
Uitspraak
200805805/1.
Datum uitspraak: 16 januari 2009
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 27 juni 2008 in zaak nr. 07/33134 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aan [appellant] (hierna: de vreemdeling) een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 29 november 2006 verleend. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 27 juni 2008, verzonden op 30 juni 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van de staatssecretaris op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.
Ingevolge artikel 44, tweede lid, wordt de vergunning verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen.
2.2. Volgens paragraaf C2/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan de staatssecretaris in het beleid specifieke groepen aanwijzen die om andere redenen dan traumata op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel.
Volgens Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, nr. 2006/38 (hierna: WBV 2006/38; Stcrt. 2006, nr. 231, pagina 19), zijn, voor zover thans van belang, homoseksuelen uit Iran op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in het landgebonden asielbeleid aangewezen als een specifieke groep, die om andere redenen dan traumata in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Dit besluit is in werking getreden op 29 november 2006, de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is geplaatst.
2.2.1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet kan worden gezegd dat de ingangsdatum die aan de invoering van het in WBV 2006/38 omschreven beleid verbonden is de toets in rechte niet kan doorstaan. De vreemdeling betoogt daartoe dat onder meer uit de brief van Human Rights Watch (hierna: HRW) van 5 oktober 2006 volgt dat de staatssecretaris niet had mogen afzien van het met terugwerkende kracht invoeren van het beleid.
2.2.2. Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vw 2000, met ingang van 29 november 2006, de datum van inwerkingtreding van WBV 2006/38.
2.2.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris beleidsvrijheid toekomt bij de vaststelling van het beleid dat wordt gevoerd bij de toepassing van artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Gelet hierop en in aanmerking genomen de korte periode tussen het verschijnen van genoemde brief van HRW, welke brief voor een belangrijk deel als basis heeft gediend voor het in WBV 2006/38 neergelegde beleid, en het in werking treden van dat beleid, heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de ingangsdatum die aan de invoering van het in WBV 2006/38 omschreven beleid is verbonden de toets in rechte niet kan doorstaan.
De rechtbank heeft daarom ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet heeft mogen verlenen met ingang van die datum.
De grief faalt.
2.3. De tweede grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. P.A. Offers, en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Spoel
voorzitter
w.g. Klein Nulent
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009
218-587.
Verzonden: 16 januari 2009
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak